maandag 16 juli 2012

INEKE HANS: DINGEN WAAR NIETS AAN TE VERBETEREN VALT

Categorie: interview
Onderwerp: over de betekenis van het verleden, ontwerpen en communiceren, nieuwe technieken en ontwerp in tijden van crisis
Datum gesprek: 22 juni 2012

Ineke Hans (Zelhem 1966) studeerde aan de afdeling 3D (nu Product Design) van de Arnhemse kunstacademie. Ze behaalde in 1995 haar master’s degree Furniture Design aan het Royal College of Art in Londen en werkte drie jaar voor Habitat. In 1998 begon ze studio Ineke Hans.

KUNST KUNST KANTOOR: KUNST OPNIEUW UITVINDEN ALS MEDIAGEBEURTENIS

Categorie: interview
Onderwerp: het overleven van de kunst in tijden van ingrijpende veranderingen
Datum gesprek: 5 juli 2012

Frank Blommestijn(Arnhem 1989) en Michiel van der Werf (Arnhem 1987), onder meer opererend als DJ Walnoot, opende op 4 juli het KUNST KUNST KANTOOR op de bovenste verdieping van de kunstacademie in Arnhem.

SASCHA VAN RIEL: OPEN REPETITIE OP DE VIERDE VERDIEPING VAN HET WHITNEY MUSEUM


Categorie: interview
Onderwerp: over werkelijkheid en illusie in het theater en haar samenwerking met de Amerikaanse regisseur en schrijver Richard Maxwell
Datum gesprek: 22 juni 2012

Sascha van Riel (Enschede 1969) studeerde aan de afdeling 3D (nu Product Design) van de Arnhemse kunstacademie, aan de Universität der Künste in Berlijn en aan de HKU. Ze werkte vervolgens als licht- en decorontwerper onder meer voor Het Zuidelijk Toneel, Toneelgroep Amsterdam en New York City Players.

zaterdag 24 maart 2012

HANS EIJKELBOOM: SÃO PAULO




Categorie: interview
Onderwerp: Hans Eijkelboom over zijn werk en zijn deelname aan de biënnale van São Paulo 2012
Datum gesprekken: 9 en 23 maart 2012
Ook gepubliceerd in het Portugees in het Braziliaanse e-magazine Performatus

Hans Eijkelboom studeerde van 1968 tot 1973 aan de afdeling Monumentale Vormgeving van de Arnhemse Kunstacademie en van 1971 tot 1972 aan Ateliers '63 in Haarlem.

In 1971, toen je nog pas 21 jaar oud was, werd je gevraagd om deel te nemen aan de toenmalige Sonsbeektentoonstelling die werd samengesteld door Wim Beeren. Je werk was in die tijd conceptueel en is dat nog steeds. Waarom koos je al zo jong voor die conceptuele benadering, kreeg je dat van huis uit mee?
Mijn vader was elektromonteur bij de PGEM, het toenmalige energiebedrijf, met andere woorden een geschoolde arbeider. Ik kan niet me niet herinneren dat ik met mijn ouders naar een museum of schouwburg ging. Kunst was wel in huis aanwezig. Er is een foto van mij waarop ik als veertienjarige thuis in mijn jongenskamer wat broeierig op mijn bed lig. Op de achtergrond zie je allemaal ingelijste reproducties van werkjes van Van Gogh. Veel belangrijker voor mij, althans als ik daar nu op terugkijk, was dat mijn ouders politiek geëngageerd waren. Ik groeide op in de tijd van de wederopbouw na de oorlog. Iedereen geloofde dat het beter zou worden, dat macht en welvaart eerlijker verdeeld moesten worden en dat de maatschappij maakbaar was. Mijn ouders waren ervan overtuigd dat je de maatschappij met goede ideeën beter kon inrichten, maar goede ideeën moest je natuurlijk wel ontwikkelen. Mijn houding en belangstelling als kunstenaar is daardoor beïnvloed, denk

LEVI VAN VELUW: CONTROLE


Categorie: interview
Onderwerp: Levi van Veluw over zijn werk
Datum gesprek: 15 maart 2012

Levi van Veluw (Hoevelaken 1985) studeerde van 2003 tot 2007 aan de afdeling Vrije Kunst van de kunstacademie in Arnhem. Zijn foto's trokken al snel de aandacht en inmiddels heeft Levi van Veluw, die wordt vertegenwoordigd door Galerie Ron Mandos, een behoorlijk aantal tentoonstellingen en publicaties op zijn naam.

In 2007, toen je afstudeerde aan de kunstacademie, maakte je foto's waarin je het zelfportret als genre combineerde met de tekening en elementen die je ogenschijnlijk afleidde van performance, body art en misschien wel het snapshot. Kun je uitleggen hoe je daar toe kwam?
Mijn benadering was in eerste instantie formeel. Het ging me om vorm en de mogelijkheden daarvan. Op de academie maakte ik met een groepje mensen video's. Wat ons interesseerde waren de grenzen van enscenering en manipulatie. Als je iets filmt is het bijna per definitie waar, ook al is alles van A tot Z geënsceneerd. Maar hoever kon je daarin gaan? Wanneer

JOOST VAN DER STEEN: DE TIJDSCHRIFTEN DIE JE IN DE WINKEL NOOIT TEGENKOMT


Categorie: interview
Onderwerp: Joost van der Steen over het tijdschriftenfestival Facing Pages
Datum gesprek: 7 maart 2012

Joost van der Steen (Vught 1982) studeerde van 2001 tot 2005 aan de afdeling Grafisch Ontwerpen van de kunstacademie in Arnhem. In 2005 begon hij met William van Giessen ontwerpbureau O.K. Parking. Van der Steen en Van Giessen namen in 2010 het initiatief voor het O.K. Festival, een festival voor de makers en liefhebbers van onafhankelijke tijdschriften. Het eerste festival trok bezoekers en deelnemers uit de hele wereld. Dit voorjaar vindt het voor de tweede maal plaats onder de naam Facing Pages op 20, 21 en 22 april in het voormalige MEE-gebouw aan de Trans nummer 6 in Arnhem.

Je bent, behalve een van de initiatiefnemers van het tijdschriftenfestival Facing Pages, mede-eigenaar van het ontwerpbureau O.K. Parking. Kun je uitleggen wie je opdrachtgevers zijn en wat je voor ze doet?
Onze opdrachtgevers komen voor een deel uit de culturele sector. We werken onder meer voor Museum Boymans Van Beuningen in Rotterdam, Premsela en Artez. Voor die opdrachtgevers doen we zeer uiteenlopende dingen. We maken boeken, jaarverslagen, applicaties, websites, maar ontwerpen ook de inrichting van tentoonstellingen. Voor een

vrijdag 24 februari 2012

HANS JUNGERIUS: ONTGINNING VANUIT DE KUNST

Hans Jungerius voor de mobiele expositieruimte MIR van Alphons ter Avest

Categorie: interview
Onderwerp: Hans Jungerius over het project Kamp Koningsweg
Datum gesprek: 9 februari 2012

Hans Jungerius (Doetinchem 1969) studeerde van 1993 tot 1997 aan de afdeling Architectonische Vormgeving/Monumentaal van de Kunstacademie in Arnhem. In 2000 richtte hij met Rob Groot Zevert, Melle Smets en Jurr van Diggelen het kunstenaarsinitiatief G.A.N.G op.

In het verleden heb je je als initiatiefnemer van Stichting G.A.N.G. beziggehouden met de openbare ruimte in vooral stedelijke gebieden. Belangrijke kwesties daarbij waren hoe maken mensen gebruik van de openbare ruimte, hoe kijken ze daar tegen aan en wat zijn de nog niet benutte mogelijkheden die het gebruik en de beleving van de openbare ruimte zouden kunnen verbeteren. Sinds juli 2011 ben je een soort culturele huismeester van een voormalig militair terrein dat midden in de bossen ligt. Wat is de zin van een kunstinitiatief in een afgelegen natuurgebied aan de noordelijke rand van Arnhem?
Bij je omschrijving van dit gebied als natuurgebied, zou ik een kanttekening willen plaatsen. Dat hier veel bomen staan wil niet zeggen dat het om natuur in een ongerepte staat gaat. Van oudsher was dit zogenaamde woeste grond. Vóór de negentiende eeuw was de Veluwe een heidelandschap waar schapen liepen. Die werden gehouden vanwege hun economische belang. Toen in het midden van de negentiende eeuw de

MARTEN HENDRIKS: VORM IS EERDER EEN BEGIN, DAN EEN EINDPUNT



Categorie: interview
Onderwerp: Marten Hendriks over zijn werk en de installatie False Front van 2010
Datum gesprek: 25 januari 2012

Marten Hendriks (Doetinchem 1941) studeerde van 1958 tot 1963 aan de Arnhemse Academie voor Kunst en Kunstnijverheid. Aan die Academie was hij van 1977 tot 2001 verbonden als docent van de afdeling Vrije Kunst. In 1971 en in 2001 organiseerde het Arnhemse Museum van Moderne Kunst solotentoonstellingen van zijn werk.

Ik wilde het hebben over False Front, een installatie die je in de zomer van 2010 hebt gemaakt op de benedenverdieping van een pand aan de Apeldoornsestraat in Arnhem. Maar laten we het eerst hebben over je eerdere werk en de ontwikkeling daarvan. Na 2000 heb je niet meer geschilderd. Was dat een kwestie van een plotseling besluit?
Nee er was geen sprake van een besluit. Op een gegeven moment waren er gewoonweg andere dingen waar ik me bezighield. Ik heb altijd meerderde disciplines naast elkaar gebruikt en vermengd. Ik heb gefotografeerd, gefilmd en me beziggehouden met geluid, performances en installaties. Ik maakte stencilboeken en samen met G.J. de Rook tijdschriften. Je moet niet vergeten dat mijn generatie druk in de weer was met het verruimen van het idee wat een kunstwerk was of zou kunnen zijn. Het kon een schilderij zijn of een ruimtelijk werk, maar even goed iets heel anders. Een multidisciplinaire aanpak lag dus voor de hand.

BAS KOOLS: HOE KUN JE BETER SAMENLEVEN?



Categorie: interview
Onderwerp: Bas Kools over de verbreding van het vak ontwerpen.
Data mailverkeer: 25 januari tot en met 7 februari 2012

Bas Kools (Sprang-Capelle 1981) studeerde van 2011 tot 2005 aan de afdeling 3D Design van Artez in Arnhem en van 2005 tot 2007 aan de afdeling Product Design van de Royal College in Londen. Hij woont op dit moment in Berlijn.

Wat heb je na je studies allemaal gedaan?
Ik heb vooral geprobeerd om op grond van mijn bezigheden en mijn belangstelling te formuleren wie ik als vormgever ben, wat ik te bieden heb en hoe ik dat het beste tot zijn recht kan laten komen. Mijn bezigheden en mijn belangstelling zijn nogal breed. Ik heb me al tijdens mijn studie beziggehouden met keramiek, experimenten met andere materialen en met illustratie. Op grond daarvan werd ik in Londen door Muf Architecture Art, een architectenbureau, gevraagd om workshops te bedenken. In Londen heb ik onder meer lesgegeven aan jongeren uit

FLOS WILDSCHUT: MENSEN PRIKKELEN MET KWALITEIT

MMKA. Foto Willem Franken
Categorie: interview
Onderwerp: Flos Wildschut over het onderwerp condensed reality en de Biënnale Gelderland 2012
Data-mailverkeer 20 februari 2012

Flos Wildschut (Heerlen, 1960) studeerde van 1980 tot 1989 kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Ze werkte de afgelopen 15 jaar als curator bij het Nederlands Foto Instituut (nu Nederlands Foto Museum) te Rotterdam en was voorzitter stimuleringssubsidies bij het Fonds BKVB (nu Mondriaan Fonds). Sinds 3 jaar werkt zij als onafhankelijk curator. Voor het Museum voor Moderne Kunst Arnhem maakte zij, samen met Krien Clevis, in 2009 de tentoonstelling Ophelia, Sehnsucht, melancholie en doodsverlangen. In 2011 stelde zij met Charlotte van Lingen voor de Kunsthal in Rotterdam de fotografietentoonstelling Voor de lens: Crisis! samen. De tentoonstelling Proeftuin, die eind vorig jaar in Showroom Arnhem plaatsvond was eveneens van haar hand.

Je gaat als curator een tentoonstelling samenstellen en inrichten die in september en oktober 2012 is te zien in Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. De tentoonstelling, onder de titel De wereld zien in een korrel zandmoet inzicht bieden in de recente kunstproductie in Gelderland. Denk je,

zaterdag 28 januari 2012

SANDER LUSKE: ETEN, VORMGEVING EN BEELDVORMING



Categorie: interview
Onderwerp: Sander Luske over vormgeven en fotograferen
Datum gesprek: 18 januari 2012

Sander Luske (Nijmegen 1970) studeerde van 1988 tot 1993 aan de afdeling 3D Design van Artez in Arnhem. Na zijn afstuderen werkte hij als vormgever met als specialisatie porselein. Sinds een aantal jaren geeft hij ook les aan de afdeling Product Design van Artez in Arnhem. Hij is lid van de examencommissie van Artez en lid van de raad van toezicht van Stichting Leniging Atelier Nood Kunstenaars. Het gesprek vindt plaats in de door Luske tot woonhuis en atelier verbouwde keuken van een voormalig bejaardentehuis in de wijk Presikhaaf.

Waar ben je mee bezig?
Met het ordenen van mijn verzameling kookboeken. Daar hecht ik nogal aan. Ik heb onder andere dit Japanse kookboek. Dat heb ik in 2010 gekocht in Osaka waar ik op dat moment een solotentoonstelling had ingericht van mijn werk. Het aardige ervan is dat het niet alleen laat zien hoe het gerecht er uiteindelijk uitziet, maar dat het aan de hand van een reeks foto's heel precies laat zien hoe je te werk moet gaan. Het

DJ WALNOOT: DOORSTOTEN NAAR DE MASSA



Categorie: interview
Onderwerp: DJ WALNOOT over het concept DJ WALNOOT
Datum gesprek: 16 januari 2012

DJ WALNOOT ontstond op 5 november 2010 en luisterde sindsdien een reeks feesten op.

Hoe ontstond DJ WALNOOT?
Uit de noodzaak om het verschijnsel dj te relativeren. De gemiddelde dj is een over het paard getilde platendraaier die denkt dat hij ongelooflijk cool is. DJ WALNOOT streeft daaraan voorbij: geen onuitstaanbare dj, maar een object dat werkelijk niets in huis heeft om een dj te zijn. DJ WALNOOT wil aantonen dat hij ondanks zijn gebrekkige draaikunsten toch immens populair kan worden.

Maar wel een dj?
DJ WALNOOT stelt zich op als een leegte. Die leegte vult zichzelf met elementen ontleend aan de volkscultuur van de eenentwintigste eeuw: het dansfeest met alles erop en eraan, inclusief promotie en ja, je kunt er niet om heen, ook een dj. Maar DJ WALNOOT herschikt en verandert. Om te beginnen mixt DJ WALNOOT niet. Al die ingewikkelde mixen en re-mixen en overlopen waar de gewone dj zich mee bezighoudt, dat is onzin. Wie staat er nou op een feest en denkt dan goh, wat een goeie

YPE KOOPMANS: ONZE PLAATS HERNEMEN



Categorie: interview
Onderwerp: Ype Koopmans over de tentoonstelling Neo-realisme in Nederland. In de schaduw van morgen die eind 2012 wordt geopend in het Museum van Moderne Kunst Arnhem
Datum gesprek: 17 januari 2012

Ype Koopmans(1955) studeerde kunstgeschiedenis in Leiden en aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Voor hij naar Arnhem kwam, was hij aan beide instellingen als onderzoeker verbonden. In 1994 volgde hij Jan de Groot op als conservator moderne kunst van het Museum voor Moderne Kunst Arnhem. Ype Koopmans schreef boeken en artikelen en is hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Open Universiteit, waar hij promoties begeleidt en meewerkt aan de invulling van het masterprogramma.

CLAUS FÖTTINGER: ONKEL RUDI KUN JE NIET NOG EEN KEER MAKEN

Claus Föttinger Gallipoli Project 2005
Categorie: interview
Onderwerp: Claus Föttinger over zijn werk, de Duitse geschiedenis, internationalisering en Nederland
Datum gesprek: 18 januari 2012

Claus Föttinger werd in 1960 geboren in Neurenberg, een stad in de Duitse deelstaat Beieren. In de jaren tachtig studeerde hij aan de Kunstacademie van Düsseldorf. Begin jaren negentig was hij een van de oprichters van de Düsseldorfse kunstenaarsvereniging WP8. Claus Föttinger heeft een atelier in de Arnhemse wijk Sint Marten en woont in Düsseldorf en het Turkse Gallipoli.

woensdag 11 januari 2012

ANAN STRIKER: IK PROBEER ZOVEEL MOGELIJK MEE TE KRIJGEN

Categorie: interview
Onderwerp: Anan Striker over zijn stage op Curaçao
Data e-mailverkeer: 4 tot 7 januari 2012

Anan Striker werd in 1988 geboren en groeide op in Assen. Sinds 2009 studeert hij aan de afdeling Fine Art van Artez in Arnhem.

Waar ben je?
Ik vertoef momenteel op Curaçao, want ik loop stage bij Instituto Buena Bista. Het Instituto is opgericht door kunsthistoricus Nancy Hoffmann en twee beeldend kunstenaars, David Bade en Tirzo Martha. Er verblijven artists in residence en het fungeert als een schakel in een netwerk op het gebied van onderwijs en onderzoek. Het instituut fungeert ook als een plek voor talentontwikkeling en biedt studenten een op het kunstonderwijs gerichte oriëntatiecursus aan. In Willemstad heb ik het kleinste kamertje in een woning voor stagaires. Mijn kamer heeft een gat in het plafond en een glazen raampje uitkijkend op de woonkamer. Daglicht ontbreekt. Bovendien hebben alle ramen en deuren een soort van gevangenistralies tegen inbraak en op ongeveer het hele eiland is geen warm water. BON!

MIRJAM KUITENBROUWER: DE CAMERA ALS HUIS EN HET BEWUSTZIJN ALS CAMERA

 
Mirjam Kuitenbrouwer, Recursiekamer -Verenigde Uitzichten in een Kluizenaar met een Balkon voor Introspectie, 2011. Foto Thijs Quispel
Categorie: interview
Onderwerp: Mirjam Kuitenbrouwer over haar werk
Datum gesprek: 9 januari 2012

Mirjam Kuitenbrouwer (Nijmegen 1967) studeerde van 1984 tot 1989 aan de afdeling 3D Design van de Arnhemse Kunstacademie. Een ontwerper van echte gebruiksvoorwerpen is ze evenwel nooit geworden. Van 1989 tot 1991 bezocht ze de afdeling Mixed Media van de Jan van Eyck Academie in Maastricht en ontwikkelde zich verder als beeldend kunstenaar. Mirjam Kuitenbrouwer exposeerde in Nederland en daarbuiten. Haar werk werd aangekocht door Nederlandse en buitenlandse musea en maakt deel uit van verschillende bedrijfscollecties. Het gesprek vindt plaats in Arnhem, in haar woning en atelier, een voormalige negentiende-eeuwse werkplaats op het binnenterrein achter de Brusselse huizen aan de Spijkerkstraat.

Wat doe je?
Ik denk na over een reeks nieuwe werken. Wat mij bezighoudt is de menselijke waarneming en de vergelijking en het op elkaar betrekken van waarnemen en wonen, van architectuur en bewustzijn en van rechtstreekse en instrumentele waarneming. Op die onderwerpen ben ik nog steeds niet uitgekeken en ook nog niet uitgestudeerd. Kijken en waarnemen lijken min of meer vanzelfsprekend. Maar als je ze probeert te ontrafelen worden het complexe zaken. Zelfs filosofen en geleerden als Epicurus en Merleau-Ponty kwamen er niet zomaar uit. De menselijke waarneming is in ieder geval geen objectieve registratie van de buitenwereld. Wat we zien lijkt te worden bepaald door wat we weten en door de al of niet toevallige context van onze waarneming.

Wat bedoel je daarmee?
Jij hebt zojuist een foto genomen van deze zolder. Die foto zul je op een bepaalde manier bekijken omdat je hier in dit huis hebt rondgelopen en de ruimte met eigen ogen hebt bekeken. Je weet hoe het ruikt, hoe de vloer klinkt en hoe klein dit zoldertje is voor iemand van jouw omvang. Je bekijkt die foto met in je achterhoofd een hele reeks concrete ervaringen. Iemand die hier nooit is geweest en die ervaring niet heeft zal de foto echter heel anders zien en interpreteren.

Zit dat zo?
Ja, maar daarmee ben je er nog niet. Je kunt zeggen: ik schep de wereld die ik waarneem. In het verlengde daarvan kun je verder zeggen: wie ik ben en de toestand waarin ik verkeer beïnvloedt mijn waarneming van de wereld, of ik dat nu wil of niet. Omgekeerd kun je echter ook stellen dat de wereld die je waarneemt jou vormt. Wat je waarneemt lijkt in ieder geval in te werken op bijvoorbeeld je stemming. Dat is zeker niet moeilijk vast te stellen, maar misschien is de vormende invloed van de waarneming nog fundamenteler dan je geneigd bent te denken. Een ik zonder buitenwereld en de waarneming van een buitenwereld is onvoorstelbaar. Misschien is mijn ik als een stabiele en homogene entiteit zelfs wel een hele of halve illusie en bestaat dat ik bij de gratie van het feit dat ik dingen waarneem die anders zijn en ogenschijnlijk buiten mijzelf staan. Dat soort kwesties zijn niet zomaar uit te maken, maar je kunt er wel vragen over stellen. Is bijvoorbeeld onze binnenwereld niet gewoonweg een voortzetting van de wereld die we buiten ons waarnemen, zoals Italo Calvino zich afvroeg? Dat soort vragen zijn voor mij een belangrijke impuls bij het maken van mijn werk.

Maar hoe zet je zulke theoretische kwesties om in objecten, werken...?
Ik sluit niet uit dat ik de komende twee weken bezig ben met mijn verzameling analoge camera’s en viewers. Die heb ik in de loop van de tijd links en rechts opgekocht. Zo’n verzameling heb ik trouwens ook van super8 filmcamera’s. Ik demonteer ze en de onderdelen, de lenzen, spiegels en bepaalde andere delen van het interieur, orden ik naar soort en sla ik op in dozen. Ordenen, het ordenen van dingen en van citaten uit boeken en aantekeningen, is voor mij een manier om ideeën te ontwikkelen. Met camera's ben ik graag bezig omdat een camera in mijn ogen een beeldende metafoor van onze eigen waarneming is en voor de kwesties die daar mee samenhangen. Een camera is een huisje, het is architectuur in het klein, met een binnenruimte en vensters. Dat geeft me aanleiding om na te denken over waarnemen, over binnen en buiten en over schaal en maat. Want wat bij waarneming altijd een rol speelt, is dat laatste: schaal en maat. We kunnen wat we zien moeilijk plaatsen als we geen idee hebben van de schaal en maat ervan. Dingen waarvan we de maat en de schaal uit ervaring kennen, zoals mensen en architectuur, verschaffen daarvoor het kader. Wat ik hier allemaal noem lijkt misschien ongerijmd, maar waarneming, het probleem van het ik en de wereld, binnen en buiten en noem zo maar op hebben in mijn ogen met elkaar te maken. Voor mij is de uitdaging om ze in een overtuigend, beeldend verband te brengen. Tenslotte moet ik net als iedereen in de wereld die ik waarneem wonen. Ik maak die wereld en die wereld maakt mij.

Recursiekamer. Foto Thijs Quispel
Maar nadat je twee weken camera’s hebt gedemonteerd, wat voor werk ga je dan maken?
Ik denk aan objecten waarin ik interieurfoto’s combineer met onderdelen van foto- en filmapparatuur. Verder denk ik aan een reeks fotocollages op paneel. Die zijn voor mij belangrijk omdat ze me de gelegenheid geven om vorm te geven aan nog iets anders dat me intrigeert aan waarneming. Dat is het feit dat onze waarneming altijd een synthese is van fragmenten en daarbij nooit voor eens en altijd vastligt. Een ruimte nemen we nooit in één keer waar. Onze hersenen, om het nu heel simpel voor te stellen, plakken fragmentarische indrukken aan elkaar tot één ogenschijnlijk homogeen beeld en vullen niet zelden ontbrekende informatie op eigen houtje aan. Maar ook dat ogenschijnlijk homogene beeld is geen constante, want mijn beeld van bijvoorbeeld dit huis, dat mij zo vertrouwd is, verandert al naar gelang wat ik weet, mijn zorgen, mijn stemming en mijn bedoelingen. Het is zoiets als een boek dat je hebt gelezen. Dat boek blijft hetzelfde. Er staat wat er staat, maar als je het herleest, pik je er andere dingen uit op. Het boek verandert omdat je het na verloop van tijd met andere vragen leest en met een andere blik bekijkt. Ik ben trouwens bijna iets vergeten. Behalve met die objecten en panelen wil ik aan de slag gaan met mijn Recursiekamer. De Recursiekamer is een kluizenaarscel van twee bij vier meter die ik deze zomer heb tentoongesteld in het Fort bij Spijkerboor. Het woord recursie slaat op een zich herhalende opeenvolging van elementen. Zo is mijn recursiekamer opgebouwd. Het is een kamer waarbinnen met minimale middelen een complete leefwereld is opgezet als een uitdijend heelal. Er is een groot raam en een klein balkon, maar wat je door dat raam van de buitenwereld waarneemt is van A tot Z een projectie van het binnen op het buiten, een constructie. De Recursiekamer wil ik hier in mijn tuin opzetten om het hele project doorlopend verder te kunnen ontwikkelen.

Zo te horen heeft je werklust niet geleden onder de economische rampspoed van de afgelopen tijd?
Was het maar waar. Ik heb sinds kort een weekendabonnement op de NRC. Het is moeilijk om niet mee te gaan in de algehele somberheid! Vroeger kon ik me moeiteloos terugtrekken in mijn eigen wereld. Dat gaat me de laatste tijd wat minder makkelijk af. Kan ik me nog wel terugtrekken in mijn eigen wereld als in de buitenwereld de duistere wolken zich samenpakken? Aan de andere kant is mijn eigen wereld, het maken van mijn werk, voor mij de manier om geïnspireerd en vitaal in het leven te staan. Hoe erg alles ook is, naar die vitaliteit moet je blijven streven.

MAARTEN DE REUS: WE HEBBEN ELKAAR DAAR EEN BEETJE OPGEVOED EIGENLIJK

Categorie: interview
Onderwerp: Maarten de Reus over zijn opleiding in Arnhem en zijn huidige werk
Datum e-mailverkeer: 4, 5 en 6 januari 2012

Maarten de Reus werd in 1961 geboren in Heerenveen en groeide op in Steenwijk. Van 1979 tot 1985 studeerde hij aan de inmiddels opgeheven afdeling Architectonische Vormgeving/Monumentaal van de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem. In de afgelopen jaren maakte Maarten de Reus een groot aantal kunstwerken bestemd voor de openbare ruimte. Het laatste daarvan, Het Baken in Emmeloord, werd in 2010 voltooid. Maarten de Reus woont afwisselend in Amsterdam en in Engeland. Hij is als docent verbonden aan de Rietveld Academie in Amsterdam en als gastdocent aan de Hochschule Für Bildende Künste in Hamburg.

Wat ben je aan het doen?
Ik maak nu in een besloten competitie een schetsontwerp voor een heel groot kunstwerk. Dat werk is bestemd voor een luchthaven in Zuid-Londen. Verder probeer ik in het kader van de crisis na te denken over juist superkleine beelden die toch veel impact hebben.

Je hebt, van het einde van de jaren zeventig tot het midden van de jaren tachtig gestudeerd aan de Arnhemse Kunstacademie. Je was student aan een afdeling die inmiddels al lang en breed is opgeheven: Architectonische Vormgeving/Monumentaal. Wat leerde je daar?
Ik ging niet naar die afdeling uit overtuiging. Ik was naïef en wist nog niet zoveel van kunst. Het leek me wel aardig om kunstenaar te zijn, meer om de lifestyle dan om aan mijn brandende talent gehoor te geven. Ik leerde eigenlijk vooral van mijn studiegenoten. Met name Gert-Jan de Vogel en Rob Hamelijnck waren belangrijk. Ik vertrouwde Gert-Jan en Rob volledig en keek ook wel tegen hen op. Je had in die tijd, anders dan nu, nog een basisjaar en omdat Gert-Jan en Rob na dat basisjaar naar

MARCEL DOORDUIN: DE GROTE SCHOONMAAK


Categorie: interview
Onderwerp: Marcel Doorduin over zijn werk
Datum gesprek: 3 januari 2012

Marcel Doorduin werd in 1969 geboren in Den Haag. Hij groeide op in Vlaardingen, een nogal vlakke streek, naar zijn zeggen. Rond zijn vijftiende bezocht hij Arnhem. De heuvels in het noorden van de stad en het contrast tussen de beboste stuwwallen en het rivierenlandschap ten zuiden van de Rijn maakten indruk. De jonge Marcel Doorduin besloot dat hij later in de omgeving van Arnhem zou gaan wonen. Omstreeks diezelfde tijd besloot hij bovendien om later kunstenaar te worden. In 1989 werd hij aangenomen op de afdeling Vrije Kunst van de kunstacademie in Arnhem. Zijn docenten waren Marten Hendriks, Han Janselijn en Jaap Wieseman. Na zijn eindexamen in 1993 studeerde Marcel Doorduin in 1994 en 1995 aan de Rijksacademie in Amsterdam waar hij werd begeleid door Fons Haagmans, Han Schuil en Narcisse Tordoir. Op de Rijksacademie werd Marcel Doorduin door Hannie Loerakker uitgenodigd om te exposeren in haar galerie. Hij bleef aan die galerie verbonden tot Hannie Loerakker haar werkzaamheden als galerist staakte in 2004. Het gesprek vindt plaats in Velp, even buiten Arnhem, waar Marcel Doorduin een atelier aan huis heeft. Buiten waait het hevig.

Waar ben je mee bezig?
Ik heb besloten om geen nieuwe werk te maken vóór ik al mijn oudere werk goed heb bekeken en heb geïnventariseerd. Van ieder werk maak ik een foto, als die er nog niet is, en al die foto's breng ik dan weer onder in een goed gerubriceerd computerbestand.

Wat ga je doen met dat bestand?
Twee dingen. Ik wil een nieuwe en betere website maken. Daar komt bij dat het bekijken en inventariseren van mijn eigen werk een mooie gelegenheid is om me af te vragen wat ik tot nu toe heb gedaan. Wat is daarvan de kern en in welke richting of richtingen zou ik mijn werk verder kunnen ontwikkelen? Het gaat om het inhoudelijk toespitsen van mijn werk en het daaruit distilleren van een programma voor de komende tijd. Dat gaat bij mij nooit geleidelijk, maar met sprongen. Op de Rijksacademie drongen vrijwel alle docenten aan op een praktische en onderzoekende manier van werken. Je moest een bepaald onderwerp nemen. Aan de hand daarvan maakte je een stuk of tien schilderijen. Zo leerde je om je werk op eigen houtje verder te ontwikkelen en schilderde je al onderzoekend tegelijkertijd een kleine tentoonstelling in een galerie bij elkaar. Een hele mooie en praktische manier van werken, maar ik kon er geen kant mee op. Het idee om te moeten schilderen aan de hand van een onderzoeksonderwerp verlamde me.

Hoe werkte jij dan in die tijd?
Voor mij betekende schilderen heel veel en heel veel verschillende dingen produceren. Maar achteraf is in al dat werk, dat me in sommige opzichten eerst versnipperd leek, een rode lijn aan te wijzen. Dat moet je ook leren, in je eigen werk de grote lijnen zien. Terugkijkend is mijn werk grofweg onder te brengen in drie categorieën. De eerste categorie bestaat uit werk waarin architectuur en landschap de hoofdrol spelen. Een tweede categorie bestaat uit portretten van voorwerpen. De derde categorie wordt gevormd door werk waarin bouwsystemen centraal staan. In veel gevallen gaat het om stapelingen van abstracte elementen die tezamen een figuratief beeld opleveren. Achteraf wordt ook duidelijk dat ik in al mijn werk steeds een aantal schilderkunstige kwesties aansnijd. Zulke kwesties zijn het tegenover en naast elkaar stellen van abstracte en figuratieve elementen, het gebruiken van diepte en en ondiepte. Een terugkerend thema in mijn werk is ook maat en schaal, transparantie en het transformeren van een abstract beeld in een figuratief beeld door de toevoeging van een klein, ogenschijnlijk figuratief detail.

Hoe?
Bijvoorbeeld een stel strepen dat ogenschijnlijk een steiger vormt en waardoor je van een paar vlekken plotseling een huis maakt.

Zo te zien heb je wel heel veel werk gemaakt in de zestien jaar nadat je de Rijksacademie verliet. Waren het alleen schilderkunstige kwesties die je ertoe brachten om dat allemaal bij elkaar te schilderen?
Schilderen is voor mij een middel en geen doel.

Wat is het doel?
Er zijn voor mij een aantal archetypische beelden. Ik heb ooit als kind Bruintje Beer gelezen. Het verhaal ging over iemand die in een fabriek een superlicht metaal wist te maken. Maar daarvan maakte hij net iets teveel, waardoor de hele fabriek de lucht in werd getild en weg zweefde. Andere archetypische beelden zijn voor mij de poppenhuizen die ik als kind zag in het Rotterdamse Museum Dubbelde Palmboom. Ook heb ik ooit een huis zien afbranden, tot de grond toe. Dat soort beelden hebben me, toen ik al jong was, ervan overtuigd dat sommige beelden meer zeggen dan anderen. Ze brengen op een of andere manier een spel met talloze beeldende associaties op gang. Voor mij is dat van belang omdat het me motiveert en inspireert. Mensen hebben in mijn ogen niet zomaar toegang tot de werkelijkheid. Het is niet zo dat je 's ochtends je ogen opendoet en dat dan de hele wereld met alle zin en betekenis zomaar aan je voeten ligt. Je moet de werkelijkheid, wat dat ook is, een vorm en een betekenis geven. Zonder ideeën en veronderstellingen over hoe de wereld in elkaar zit zou alles vormeloos en zinloos zijn. Mijn schilderijen zie ik als middelen: uitgangspunten voor onontbeerlijke constructies over de werkelijkheid en wat ons in die werkelijkheid zou kunnen inspireren en motiveren.

Dat laatste wil ik best geloven, maar uiteindelijk zit je, wat je ook wilt, voor een doek of een paneel en moet je daar een schilderij van maken dat de aandacht van de toeschouwer trekt en vasthoudt. Dat doe je met behulp van een reeks schilderkunstige ingrepen. Je wekt bijvoorbeeld de suggestie van diepte en lokt de blik van de toeschouwer de diepte in, maar tegelijkertijd voeg je allerlei elementen in die het perspectief en de illusie van diepte en ruimte teniet doen. In sommige gevallen heeft je werk zelfs iets verstikkends. Je lokt je toeschouwer een ruimte in waar hij of zij gevoelsmatig niet verder kan en vast komt te zitten. Doe je dat opzettelijk?
Het is niet mijn bedoeling om het publiek iets aan te doen. Verstikkend zou ik mijn werk ook niet willen noemen. Dat verstikkende zit misschien in het feit dat ik een lucht of een ruimte nog wel eens schilder alsof het een stroperige of honingachtige vloeistof is. Maar dat is dan meer om de toeschouwer te laten zien dan het uiteindelijk allemaal verf is. De toeschouwer, en trouwens ikzelf ook, is daardoor gedwongen te schakelen: van het bekijken van een figuratief beeld naar het besef dat het uiteindelijk niet helemaal is wat het lijkt. De toeschouwer moet even uit de illusie stappen, maar er dan toch weer door worden verleid. Het bekijken van een schilderij moet een spel zijn waar liefst geen einde aan komt.

Werk je inmiddels ook in thematische series, zoals je docenten je dat zestien jaar geleden adviseerden, toen je op de Rijksacademie zat?
Ik zei al, bij mij gaan dingen met sprongen. Dit is niet de eerste keer dat ik mijn oudere werk bekijk om op grond daarvan een programma voor een reeks nog te maken schilderijen te bedenken. In 2010 heb ik dat ook al eens gedaan. Ik besloot toen om het onderwerp horizon te onderzoeken. Ik had in mijn werk tot dan toe een tamelijk gewone, rechte horizon gebruikt op rechthoekige panelen en doeken. Wat ik me voornam was om een serie schilderijen te maken op ronde panelen van triplex waarin ik de horizon zou verbuigen en fragmenteren. Ik wilde daarbij ook onderzoeken of ik me geheel en al van de horizon zou kunnen ontdoen. Zo'n voornemen om aan de hand van een bepaald onderwerp een serie te maken, had me zestien jaar geleden eerder gefrustreerd dan geholpen. Vorig jaar bleek ik die aanpak opeens wel vruchtbaar te kunnen gebruiken. Er kwam een reeks schilderijen tot stand die thematisch samenhingen en in mijn ogen geldig waren. Een van de resultaten is een schilderij zonder horizon dat je 360 graden kunt draaien, maar telkens een logisch beeld oplevert. Bovendien leverde het in serie onderzoeken van het onderwerp horizon me ideeën op voor mogelijke nieuwe series.

En tot zoiets moet uiteindelijk ook de huidige grote schoonmaak of inventarisatie leiden?
Juist.


dinsdag 27 december 2011

AAFKE BENNEMA: EEN GAT MAKEN WAAR IETS IN KAN VALLEN

Categorie: interview
Onderwerp: Aafke Bennema over haar werk
Datum gesprek: 23 december 2011

Aafke Bennema werd in 1965 geboren en groeide op in Delft. Ze bezocht van 1985 tot 1990 de Academie voor Beeldende Kunst in Arnhem, nu Artez, en volgde in 1991 een jaar lang onderwijs aan de inmiddels opgeheven Ateliers Arnhem. In 1993 won ze de Van Bommel Van Dam Prijs, een aanmoedigingsprijs voor kunstenaars tot 35 jaar. Sinds 1998 is ze verbonden aan de galerie van Maurits van der Laar in Den Haag. Het gesprek vindt plaats in een buitenwijk aan de bosrijke, noordelijke rand van Arnhem. De kunstenares woont daar met haar gezin en heeft een klein atelier op zolder.

Waar ben je mee bezig?
Als je zo de deur uit bent, begin ik met een nieuw schilderij. Daar zal ik waarschijnlijk de rest van de dag mee bezig zijn.

Hoe ga je te werk?
Voor mij is de titel het uitgangspunt voor een schilderij. Een titel is verbonden met een bepaald beeld en een verhaal. Een voorbeeld van zo'n titel is Terugtocht. Vandaag ga ik aan een schilderij beginnen waarvan het uitgangspunt die titel, dat beeld en dat verhaal is.

Waar staat dat dan voor, die titel, het idee en het verhaal Terugtocht?
Het gaat over puin en vuil dat niet naar beneden valt of verspreid wordt, maar terug kruipt naar zijn oorsprong. Een tocht terug dus.

Hoe kom je daarop?
Ik heb een grote verzameling beeldmateriaal op papier, waaronder een groot aantal exemplaren van de National Geographic uit de jaren zeventig. Ik hou van de wijze van fotograferen uit die tijd, de manier van drukken en de opmaak. De beelden uit mijn verzameling klonteren op een of andere manier samen. Soms laat ik me leiden door droombeelden die trouwens ook nog wel eens te maken hebben met mijn beeldverzameling. Hoe het ook zij, op een gegeven moment kristalliseert dat uit in een bepaald beeld en een idee. Het beeld vertelt een verhaal dat open is. Voor mij moet het beeld een verhaal oproepen dat nog alle kanten opkan.

Geef nog eens een voorbeeld van een titel?
Ik heb onder andere Zeepost, Rustpunt, Vertrek en Kleine inval. Vertrek slaat zowel op vertrek, weggaan, en vertrek in de zin van een kamer of een ruimte. Kleine inval is verbonden met het beeld van een gegraven gat en een berg zand of puin ernaast. Dat beeld staat voor mij onder meer voor het werk van de kunstenaar. Je moet eerst aan de gang gaan, de zaak omwoelen, verplaatsen, een berg en een gat maken. Als dat gat er is, kan er iets in vallen.

En van dat idee maak je een schets?
Niet gelijk. Ik maak lijsten met titels. Die schrijf ik op stukken karton zodat ik ze niet zo snel kwijtraak. Als ik tijd heb, werk ik een van die titels uit in een of meerdere schetsen. Als ik ga zitten kom ik snel aan het werk. De ideeën zijn het probleem niet. Dat is de tijd. Ik heb twee kinderen en ik heb sinds een jaar of drie ook twee banen. Ik voorzag een jaar of wat geleden dat het met de kunstsubsidies wel een keer zou ophouden. Dat heb ik goed gezien, denk ik. Mijn banen en mijn gezin kosten me wel tijd. Aan mijn schilderijen werk ik tussen de bedrijven door.

Maar gesteld dat je tijd hebt. Wat doe je met de schetsen?
Als de schets geschikt lijkt, bewerk ik hem. Mijn schetsen bestaan meestal uit zwart- en grijstinten. Om een schets te gebruiken voor een schilderij, maak ik er eerst een lijntekening van. Ik trek daarvoor de schets over op patroonpapier. Die overtrek vergroot ik eventueel en dan kan ik hem gebruiken voor de opzet van het schilderij.

Met wat voor verf werk je?
Toen ik zwanger was van mijn eerste kind ben ik overgestapt van olieverf op acryl. Dat leek me gezonder voor het kind. De overstap beviel me goed. Je bent met acryl gedwongen sneller en efficiënter te werken. Aangezien tijd een probleem is, komt dat wel uit. Vroeger zat ik met olieverf soms maanden te werken aan één en hetzelfde doek. Ik ben trouwens ook gaan werken op een kleiner formaat. Dat werkt ook sneller en is handig met het vervoer. Voor een tentoonstelling stop ik mijn doeken van 45 bij 35 centimeter of nog kleiner zo in twee plastic tassen. Reizen met de trein is op die manier vrij moeiteloos.

Wanneer denk je het schilderij waar je vandaag aan begint af te hebben?
Het formaat is klein, 45 bij 35 centimeter, maar ik voorzie dat het een hoop werk wordt. Dus ergens in januari zal het schilderij af zijn.

Voor ik hier op bezoek kwam en jij me vertelde dat het je ging om open verhalen, had ik een heel ander idee van je werk. Ik dacht dat het je puur en alleen ging om het gebruik van beeldende middelen: het met vorm, lijn en kleur oproepen van een bepaalde sfeer. Is dat eigenlijk ook niet waar het om gaat in jouw geval?
Nee. Beeldende elementen spelen zeker een grote rol in mijn werk. Ik heb onder andere een voorkeur voor het uitbeelden van vloeibare of schuimige stoffen waarvan het uiterlijk ogenschijnlijk beweegt tussen vorm en vormelosheid. Dat heeft een sterke, beeldende werking voor mij. Maar beeldende aspecten als vorm en vormeloosheid zijn voor mij verbonden met een inhoud. Ik probeer om zaken aan de orde te stellen die zich aan het spreken en het vastomlijnde denken steeds op het nippertje onttrekken. Je kunt ze net niet vatten en toch oefenen ze vanachter de coulissen een vormende invloed uit. Het zou mooi zijn, vind ik, als mensen die naar mijn werk kijken, dat op een bepaalde manier voelen, beseffen of vermoeden. Mijn werk moet dus ook een gat maken waar iets in kan vallen.

Wat gaat er met het schilderij waar je vandaag aan begint gebeuren?
Ik heb een vage afspraak met Maurits van der Laar dat ik in 2012 een tentoonstelling heb. Maar ja, ik moet wel de tijd vinden om het allemaal bij elkaar te schilderen. Museum Van Bommel Van Dam heeft ook belangstelling getoond voor mijn werk en in dat geval geldt zo'n beetje hetzelfde.


ROLAND SCHIMMEL:VAKANTIE IN EIGEN ATELIER


Categorie: interview
Onderwerp: Roland Schimmel over zijn werk
Datum gesprek: 22 december 2011

Roland Schimmel werd in 1954 geboren. Van 1973 tot 1978 bezocht hij de Academie van Beeldende Kunst in Arnhem. Het gesprek vindt plaats in het atelier van Roland Schimmel in Park Angerenstein. Aan een van de muren hangt een schilderij dat, hoe langer je kijkt, steeds heftiger nabeelden oproept. De interviewer ziet vlekken, vegen en strepen die ogenschijnlijk ook steeds grilliger bewegen.

Waar ben je me bezig?
Ik heb zojuist dat schilderij aan de muur voltooid. Daar heb ik ongeveer een week aan gewerkt en nu kijk ik wat ik heb gemaakt.

Hoe maak je je schilderijen?
In het geval van dit schilderij ben ik begonnen met het gronden van het doek met uniprimer. Vervolgens het ik de plaats en de maat van de zwarte stip bepaald. Daarna het ik aan de hand van een voorstudie met airbrush de kleuren geel, rood en blauw aangebracht. Ik sta dan met een masker voor mijn mond en neus achter een gordijn. Daar voer ik een soort ballet uit met het nodige armgezwaai. Echt romantisch is mijn werkwijze niet. Airbrush veroorzaak verfnevels. Dus heb ik, behalve een masker, een afzuiginstallatie die lawaai maakt. En ook de generator van de spuitinstallatie maakt herrie omdat hij steeds aan en uit schakelt.

Aan het schilderij gaat een voorstudie vooraf, zeg je, en wat nog meer?
Het schilderij is een doek van 125 centimeter hoog en 250 centimeter breed. De voorstudie is ook met airbrush gemaakt op een formaat van 50 centimeter hoog en 100 centimeter breed. Die voorstudie heb ik gemaakt op basis van een schets met pastelpotlood op kopieerpapier.

En hoe kwam je tot die schets?
Die ontstond toen ik een paar weken geleden naar het hieraan voorafgaande schilderij keek en op de onderste helft in de rechterhoek iets zag waarvan ik dacht dat beeld zou je verder moeten uitwerken.

Wat is het onderwerp van het schilderij dat je nu klaar hebt?
Net als de rest van mijn werk is het onderwerp de zoektocht naar de oorsprong van beweging.

Bedoel je het dansen van al die kleurvlakken voor je ogen?
Wat mij bezighoudt is beweging in het algemeen. De beweging van je lichaam, je geest, dingen die je ziet, je gedachten en je gevoel. Aristoteles meende dat de ziel niet iets kon zijn wat alleen passief zaken van buiten ontving, maar dat er in de ziel van de mens – waaronder hij het bewustzijn, de zintuigen en de waarneming verstond - een beginsel van beweging moest zitten. Die gedachte heeft me altijd aangesproken. We bewegen, ons lichaam en onze gedachten. Doordat wij bewegen verandert er in onze waarneming van de werkelijkheid voortdurend iets. Er komt iets tot stand, maar wat zet dat bewegen precies in werking?

Dit interview is bestemd voor internet en nu wordt het voor de facebookgeneratie misschien wat te diepzinnig. Even terug naar het schilderij hier aan de muur. Als je er een tijdje naar kijkt, zie je dingen die er eigenlijk niet staan. Gaat het je daarom?
Wat je ziet en wat niet letterlijk op het doek staat, komt voort uit je zelf. Om het heel simpel te stellen kun je ook zeggen dat ik werk met complementaire kleuren en andere kleuren en kleureffecten om bij de beschouwer nabeelden op te roepen en suggesties van beweging.

Hoe ben je op dat onderwerp gekomen?
Toen ik op de kunstacademie zat, deed ik met klasgenoten min of meer zelfstandig onderzoek naar fundamentele zaken als lijn, kleur en materiaal. We waren nogal serieus en uit die tijd stamt mijn fascinatie voor het verschijnsel nabeelden, kleureffecten en trouwens ook voor zwarte cirkels. Als je lang naar zo'n cirkel kijkt, wordt het echt een zwart gat dat de dingen erom heen op zou kunnen slokken. Dat boeide me toen al, maar wat deed ik daar mee in die tijd? Achteraf gezien vallen dingen op hun plek. Toen was dat nog niet zo helder. Ik maakte na de academie een wereldreis. Mijn idee was – en is nog steeds – dat je in het Westen voortdurend gekneed en gevormd wordt door een informatiecultuur. Wat vormeloos is, jij, wordt gevormd, Dat is wat informeren, 'informare' in het Latijn, letterlijk betekent: het ongevormde in je geest en je denken krijgt een vorm. Daarvan wilde ik een tijdje weg. Ik wilde kijken wat er met je gebeurde als je niet meer blootstond aan die overvloed aan vormende invloeden van buitenaf. Wat zou er tevoorschijn komen van jezelf, zou je geconfronteerd worden met het ongevormde in jezelf? Eerst ging ik naar een eiland in Griekenland. Omdat dat nog teveel midden in de wereld lag, reisde ik verder naar een klein eiland in Frans Polynesië, Raivavae.

En, vond je daar je ongevormde zelf?
Het verblijf op het eiland was in bepaalde opzichten een verblijf in de hel. Op een eiland van 300 inwoners kun je je bijna letterlijk doodvervelen. De ongerepte natuur... Hou op, het is een groot cliché en de clichés hebben inmiddels de hele wereld veroverd. Maar er waren ook zonsondergangen boven het koraalrif en de eindeloze oceaan waar ik mezelf mee doordrenkte. Daar teer ik nu nog op.

En toen?
Toen heb ik terug in Nederland tien jaar lang alleen maar geschilderd en geschilderd. Ik had geen galerie en ook geen tentoonstellingen. Een moeizame tijd. Ik werkte en ik zocht. Toch had ik het vertrouwen dat ik op een dag zou vinden wat ik moest vinden. In 1989 nodigde ik Gert Taaken en Ferry Staverman uit om naar mijn werk in mijn atelier te komen kijken. Taaken en Staverman programmeerden het toenmalige kunstenaarsinitiatief Archipel in Apeldoorn. Ik dacht dat mijn werk op dat moment goed genoeg was om geëxposeerd te worden. Bij Archipel kreeg ik mijn eerste echte expositie. Een jaar later, in 1990, maakte ik een schilderij dat voor mij en de verdere ontwikkeling van mijn werk van groot belang is geweest. Het kreeg de titel Jumping Jack Flash. Het was niet het schilderij dat ik wilde maken. Ik wilde namelijk meditatieve schilderijen maken. Maar wat ik in werkelijkheid maakte was een schilderij met oranje en groene kleurvlakken. Die kleurvlakken sprongen alle kanten op. Ik kwam tot de conclusie dat dat me meer boeide dan de meditatieve schilderijen die ik me voorgenomen had om te maken. Beweging en ogenschijnlijke onrust, dat waren mijn onderwerpen. Ogenschijnlijk, omdat mijn schilderijen juist geen onrust, maar rust brengen wanneer het je lukt je er aan over te geven en ze aanvaardt voor wat ze zijn.

En daarna was het een succesverhaal?
Niet helemaal. Je bent afhankelijk van toeval, maar je kunt het toeval een handje helpen door zelf initiatieven te nemen. In de jaren negentig ben ik met Kinke Kooi, mijn partner, naar Amerika gereisd. We kregen daar contact met onder meer Rachel Harrison, Ricci Albenda en Michael Scott, kunstenaars die nog maar net waren afgestudeerd. Mede dankzij die contacten hebben we in de jaren negentig voor het eerst kunnen exposeren in Amerika. In 1993 deed ik mee aan een tentoonstelling in Gorinchem, Brain Internal Affairs. De tentoonstelling vond plaats in een oud ziekenhuis. Een van de curatoren, Suzanne Oxenaar, moedigde me op een hele goede manier aan om mijn eerste muurschildering te maken. Daar heb ik veel aan gehad. Van het een komt het ander, kun je wel zeggen. Marja Bosma kocht ooit een schilderij van me. Dat schilderij kwam terecht op de werkkamer van Sjarel Ex, die toen directeur was van het Centraal Museum in Utrecht. Diezelfde Sjarel Ex kwam ik jaren later tegen op de Kunstbeurs Frieze in Londen. Hij was inmiddels directeur van het Boymans van Beuningen in Rotterdam geworden en vroeg me om een wandschildering te maken in het Boymans. Het zat me dus wel eens mee, maar zeker niet altijd. Ik heb in de jaren negentig maar liefst vier solo-tentoonstellingen gehad bij Galerie Van Kranendonk. De galerie was enthousiast, maar mijn werk verkocht nog niet zo best in de jaren negentig.

Waar komt het schilderij dat nu klaar is terecht, denk je?
Frans Fransciscus heeft mij en twee andere schilders, Gé-Karel van der Sterren en Philip Akkerman, gevraagd om in januari 2012 mee te werken aan een tentoonstelling in de Flatland galerie in Utrecht. De titel van die tentoonstelling is For the sake of Painting. Misschien dat ik het daar exposeer. Maar het kan ook een ander werk zijn.

En wat ga je nog meer doen in 2012?
Ik ga op uitnodiging van het Van Abbe Museum in Eindhoven een halfjaar lang aan een muurschildering werken in de projectruimte die ze Het Oog noemen. Die ruimte staat in open verbinding met de buitenlucht en heeft een gebogen wand. Ik verheug me erop om een werk te maken in een ruimte met veel en voortdurend wisselend daglicht. De opening vind plaats op 21 juni 2012. Dat is de langste dag van het jaar. Als je die datum in cijfers achter elkaar zet, 21.6.12 krijg je een gespiegelde en verdubbelde reeks. Vreemd! Het schiet me trouwens te binnen dat het uitgerekend vandaag, 22 december, de kortste dag van het jaar is. Wist je dat?
.
Werkelijk?! Wat ga je volgend jaar nog meer doen?
Ik ga een muurschildering maken, hier in Arnhem, in de Tweede Spijkerdwarsstraat op een muur van zeven meter hoog en vijf meter breed.

Wat ga je de komende week doen?
Ik volg tegenwoordig een schema waarbij ik me drie weken min of meer opsluit in mijn atelier. Na die drie weken neem ik een week de tijd om de wereld in te gaan. Dat laatste betekent mijn e-mails openen en beantwoorden, zaken regelen en bijvoorbeeld naar openingen gaan.

En dan weer drie weken zwoegen in je atelier?
Ik beschouw die drie weken in mijn atelier eigenlijk als vakantie.