vrijdag 12 juli 2019

ANOUK MASTENBROEK EN ALPHONS TER AVEST OVER MIR PROJECT



Afbeelding 1 Future City Festival Arnhem 2012.

Categorie: interview/Onderwerp: MIR PROJECT /Auteur: Peter Nijenhuis/Datum gesprek: 3 juli 2019

MIR is een mobiele, interdisciplinaire werk- en expositieruimte die sinds 2010 langs braakliggende terreinen en randgebieden door Nederland reist. MIR kan worden opgeborgen en van plaats naar plaats worden vervoerd in een container. Een eigen windkrachtinstallatie zorgt voor stroom. MIR wordt praktisch en inhoudelijk gedragen door een collectief. De organisatorische krachten achter dat collectief zijn de beeldende kunstenaars Anouk Mastenbroek (Groningen, 1990) en Alphons ter Avest (Hengelo Overijssel, 1960). Wat waren de ervaringen van de afgelopen jaren en wat staat er op het programma voor 2019 en 2020?

woensdag 19 juni 2019

VOORMALIG HOOFD CULTUUR HERMAN HOFMAN: CULTUUR IS EEN LOPEND PROCES VAN MENSEN DIE DAAR IN EEN STAD BIJ ZIJN BETROKKEN. DAT MOET JE NIET VERSTARREN MET VOORAF BEPAALDE BELEIDSDOELEN

Afbeelding 1 Sonsbeek 1986, paviljoen Wiek Röling, Gelders Archief coll. 1524 nr. 9723, 

Categorie: interview/Onderwerp: Herman Hofman, voormalig hoofd van de afdeling Cultuur, Recreatie, Sport en Jeugdzaken van de gemeente Arnhem over cultuurbeleid in de jaren zeventig en tachtig/Auteur: Peter Nijenhuis/Datum gesprekken: 6, 13 en 20 mei en 3 juni 2019

Inwoners en bestuurders van Arnhem zien hun stad niet zelden als de culturele hoofdstad van het Oosten. Het in oktober 2018 gepubliceerde rapport van adviesbureau Blueyard concludeert dat dat zelfbeeld niet meer in overeenstemming is met de werkelijkheid. Het museum is gesloten, samenwerking tussen instellingen is er amper, kwaliteit en verbinding met internationale ontwikkelingen ontbreken en artistiek talent dat afstudeert aan kunstopleiding ArtEZ vertrekt zo snel mogelijk naar elders.

 Was het ooit anders? In het rapport, en trouwens ook in de regionale pers, wordt gerefereerd aan een verleden dat schijnbaar beter was: de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Iemand die in die jaren een rol van betekenis speelde is Herman Hofman. Van 1970 tot 1990 was hij hoofd van de gemeentelijke beleidsafdeling Cultuur, Recreatie, Sport en Jeugdzaken (CRSJ).
 De in 1937 in Vlissingen geboren Hofman kwam uit een arbeidersmilieu waar politieke betrokkenheid, vakbondswerk en belangstelling voor cultuur min of meer vanzelfsprekend waren. Na de Rijks HBS trad Hofman in 1954 in dienst van de gemeente Vlissingen. In 1962 werd hij plaatsvervangend hoofd cultuur, jeugdzaken en voorlichting van de gemeente Amstelveen en vanaf 1966 beklede hij een vergelijkbare functie in de gemeente Sliedrecht. Naar eigen zeggen had hij het geluk om in Amstelveen en Sliedrecht samen te werken met initiatiefrijke burgemeesters. Op het gebied van cultuur, sport, voorlichting en jeugdzaken hadden Nederlandse gemeenten zich tot dan toe met terughoudendheid bewogen. Veel was nieuw. Kunst en cultuur hadden nog een vanzelfsprekend aanzien. Die vanzelfsprekendheid had ongetwijfeld te maken met de maatschappelijke situatie. In en na de Tweede Wereldoorlog werd zowel in Amerika als Europa cultuurspreiding gezien als een onmisbare grondslag voor een stabiele en democratische samenleving die in een meer materiele zin moest worden gegrondvest op een rechtvaardige economische orde en bestaanszekerheid.
 In de drie naoorlogse decennia waarin de Nederlandse verzorgingsstaat werd opgetuigd, was Herman Hofman betrokken bij de opbouw van wat inmiddels al weer deels is geprivatiseerd of verdwenen: van zwembaden en openbare bibliotheken, tot en met speelplaatsen, toneelgezelschappen, culturele festivals en betaalbaar en toegankelijk muziekonderwijs. Hij maakte naam als een gewiekst en daadkrachtig organisator met een uitgebreid, landelijk netwerk in de bestuurlijke en culturele wereld die nauwe banden onderhield met kunstenaars.
 In weerwil van de door Hofman en CRSJ georganiseerde succesvolle festivals, de geslaagde Sonsbeektentoonstelling van 1986 en andere activiteiten die ook in de rest van het land aandacht trokken, werd de door Herman Hofman op poten gezette afdeling CRSJ eind jaren tachtig stap voor stap ontmanteld en in 1990 opgeheven. De opheffing van CRSJ werd door de pers en veel kunstenaars gezien als het gevolg van een machtsstrijd tussen Hofman en de toenmalige wethouder Martin van Meurs, maar het gemeentebestuur had besloten tot een drastische wijziging van de gehele organisatie en daarvan vormde CRSJ nu eenmaal een onderdeel. Factor van betekenis daarbij was ongetwijfeld het veranderende bestuurlijke klimaat, dat zakelijker werd en meer gericht op management. Hofman weigerde mee te solliciteren naar het directeurschap van één van de nieuwe diensten en werd hoofd Beleidscoördinatie en Onderzoek. Hij bleef de eerste vervanger van de gemeentesecretaris en bekleedde die functie na 1990 op verzoek van alle fractievoorzitters in de gemeenteraad drie jaar zelf. Hij had een groot aandeel in de viering van 100 Jaar Stadspark Sonsbeek en was als privé persoon tot 2003 voorzitter van de GBK, de Gemeenschap Beeldende Kunstenaars, en mede-oprichter en secretaris van Toneelgroep Oostpool. Daarna was hij landelijk en internationaal nog jaren actief in het georganiseerde ouderenwerk.

donderdag 18 april 2019

'DAARMEE WORSTELT DE COMMISSIE.' WAT IS ER IN ARNHEM OVER VAN DE ARNHEMSE SCHOOL?


Afbeelding 1: Academie voor beeldende kunsten Arnhem 1960-1970, foto Cor de Boer, Gelders Archief ingang 1538, fotocoll. De Boer inv. nr. 409.


Categorie: beschouwing/Onderwerp: De beeldende milieuvormgeving in Arnhem in de jaren zeventig van de twintigste eeuw en de invloed van Berend Hendriks binnen de gemeentelijke  Commissie Beeldende Vormgeving Openbare Gebouwen en Terreinen/Auteur: Peter Nijenhuis


De Arnhemse School hield zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw bezig met de vormgeving van de publieke ruimte. Hoe invloedrijk waren de vormgevers van de Arnhemse School in hun thuisbasis en wat is er veertig jaar later in Arnhem over van hun werk?


Ontgrenzing

Er werd in Nederland in de jaren zeventig van de vorige eeuw onder druk van bevolkingsgroei en woningnood meer gebouwd dan ooit, maar niet tot ieders tevredenheid. Critici gaven af op de eenvormigheid en de onmenselijke schaal. Nieuwbouwwijken boden weinig beleving. Ze misten verscheidenheid, de combinatie van orde en rafeligheid, herkenbaarheid en meerduidigheid van historisch gegroeide stadskernen. Ook wat betreft hun gebruiksmogelijkheden schoten ze tekort. Men had er enerzijds te weinig ruimte om zich af te zonderen en geborgen te voelen. Anderzijds bood de nieuwbouw te weinig mogelijkheden voor spel, ontdekking, ontmoeting en identificatie met de eigen leefomgeving.

De kritiek kwam uit verschillende kampen. Ongetwijfeld het meest bekende daarvan was de kring rond het tijdschrift Forum.[1] Kritiek werd eveneens geleverd door de Arnhemse School. Anders dan de kringen rond Forum waren degenen die tot de Arnhemse School werden gerekend geen architecten of stedenbouwkundigen. Het waren kunstenaars die hadden gestudeerd of als docent verbonden waren aan de opleiding Monumentaal Nieuwe Stijl van de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem, in 1964 opgezet door de toen pas vijfentwintigjarige, maar als kunstenaar al succesvolle Peter Struycken.[2]

In de bouwwereld, waar architecten en stedenbouwers de toon aangaven, waren de Arnhemse monumentale kunstenaars of, beeldende milieuvormgevers zoals ze ook wel werden genoemd, betrekkelijke buitenstaanders. De voorgeschiedenis van de Arnhemse opleiding was de monumentale kunst oude stijl: de plastieken, muurschilderingen, glas-in-loodramen en wat dies meer zij, die voorheen openbare gebouwen, straten en pleinen sierden en vormgaven aan collectief gedragen waarden en ideeën. Was daar in de samenleving van na 1945, die zich op allerlei fronten en ingrijpender dan voorheen moderniseerde, nog plaats voor? Niet volgens Berend Hendriks, die in Arnhem door directeur Verburg aan initiatiefnemer Peter Struycken werd toegevoegd om vorm te geven aan het nieuwe studieprogramma. Van daadwerkelijk door iedereen, zonder distantie gedragen waarden en ideeën was naar zijn mening juist steeds minder sprake. Daarmee was de zin en de noodzaak van de monumentale kunst oude stijl verdwenen, maar een ander, nieuw en belangrijk werkterrein diende zich aan.[3]




 











 




 


 
Afbeelding 2 t/m 20: 2 Ad Dekkers, Hans Koetsier, Galerie houdster Riekje Swart, Bob Bonies en Peter Struycken 1968, foto Bram Wisman. Maria Austria Instituut. Bestandsnaam 030025000703..3 Berend Hendriks, interieur Koningskerk Watergraafsmeer 1956.4 Peter Struycken, Wetsmatige beweging 1963, Lak op paneel, Dordrechts Museum. 5 Ad Dekkers, tegelreliëf schoolplein MTS Gouda 1971.6 Bob Bonies, 65 014 8.10, 1965. Website Borzo Gaerie.7 Hans Koetsier, I want it, Ik wil het, zeefdruk 1974 1976. 8 Jan Schoonhoven, R 71-10, 1971, hout, karton, papier, verf (latex) Kröller Müller Museum.9 Forum 1960 1961 nr. 6 7, omslagontwerp Jurriaan Schofer. 10 Aldo van Eyck speelplaats Dijkstraat 1954. Artikel Marina van den Bergen ArchiNed. 11 Aldo van Eyck, speelplaats Buitenveldert (Van Eesterenmuseum Amsterdam). 12 Aldo van Eyck, Burgerweeshuis Amsterdam 1967.13 Aldo van Eyck, Burgerweeshuis Amsterdam 1967.14 Aldo van Eyck, Burgerweeshuis Amsterdam 1967. 15 Aldo van Eyck, speelplaats Nieuwmarkt Amsterdam. 16 Aldo van Eyck, klimpalen Vondelpark Amsterdam. 17 Herman Hertzberger, Repeated Living Cells, studie Forum 1959. Het Nieuwe Instituut. 18 Herman Hertzberger, Repeated Living Cells, studie Forum 1959. Bron Het Nieuwe Instituut. 19 Herman Hertzberger, schets voor het Centraal Beheergebouw 1968 Het Nieuwe Instituut. 20 Herman Herzberger, Centraal Beheer Apeldoorn Ontwerp 1972.

vrijdag 8 maart 2019

KUYPERS & DE NEEF IN PRESIKHAAF

Categorie: interview/Onderwerp: Bram Kuypers en Lennart de Neef over hun werkperiode en tentoonstelling in Motel Spatie/Auteur: Peter Nijenhuis/Datum gesprek: 6 maart 2019

Lennart de Neef (Utrecht, 1990) studeerde in 2016 af aan de afdeling Product Design van de HKU. Bram Kuypers (Arnhem, 1989) studeerde in 2014 af aan wat toen Fine Art heette en nu BEAR (Base for Experiment Art and Research) van ArtEZ in Arnhem. Kuypers en De Neef werkten in februari van dit jaar vier weken aan een artistiek onderzoek in Motel Spatie, het kunstcentrum in winkelcentrum Presikhaaf, gelegen in de gelijknamige, in de jaren zestig van de vorige eeuw gebouwde wijk in Arnhem. Het resultaat van hun werk in Motel Spatie is de tentoonstelling Nothing to See, die vrijdagavond 8 maart om 19:30 wordt geopend.

Waarom kiezen jullie een uit de jaren zestig daterend winkelcentrum in een Arnhemse buitenwijk als onderzoeksplek?
BRAM KUYPERS: Ik werk eigenlijk altijd aan projecten die in een specifieke omgeving plaats vinden. Het leek me al langer leuk om op een plek als het winkelcentrum een tijd te werken. Met het winkelcentrum ging het een aantal jaren niet echt goed. Het was in de versukkeling geraakt. Met een grote verbouwing en opfrisbeurt, waarbij oude winkels onder de hoogbouw worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw, probeert men het winkelcentrum nu een nieuw leven in te blazen. De verbouwing is nog niet helemaal klaar, maar wel een eind gevorderd. De bouwvakkers lopen nog rond. Je bent getuige van een overgangsmoment, een metamorfose. Presikhaaf was een van de eerste winkelcentra in Nederland. Het oorspronkelijke, uit de jaren zestig daterende ontwerp, werd in de jaren tachtig door een renovatie nogal veranderd. Het oorspronkelijke ontwerp wordt nu, bij deze laatste verbouwing, niet hersteld. Men improviseert op wat er ooit was. Er wordt een nieuwe saus over gegoten. Dat overal tussenin van de situatie, die meerduidigheid, is in mijn ogen aantrekkelijk omdat hij visueel en anderszins veel te bieden heeft.
LENNART DE NEEF: Het winkelcentrum is een goede aanleiding om aan de slag te gaan. Als kunstenaar ontwikkel je een bepaalde visie op de wereld en je bent nieuwsgierig of deze visie de moeite waard is om aan anderen te tonen. Hier in Presikhaaf wilden Bram en ik samenwerken om te zien of dat onze conceptvorming en de productie kan verrijken. Twee zien tenslotte meer dan één. We hebben voorafgaande aan het project een tijd lang beeldmateriaal uitgewisseld. We kregen het idee dat we zo'n beetje dezelfde kijk op dingen hebben, maar is zo'n gedeelde voorkeur met betrekking tot beeldtaal genoeg om ook echt samen werk te maken en een goede tentoonstelling in te richten? Daar wilden we ook achter komen.

donderdag 7 maart 2019

RONALD CORNELISSEN: I HAVE NOTHING TO SELL

Ronald Cornelissen, July 28, ink, pencil, watercolour, gouache and acrylic paint on paper, 114,6 x 244 cm, 2018
Category: interview/Subject: Ronald Cornelissen on his drawings/Author: Peter Nijenhuis/Date conversation: February 1, 2019. Proofreading and editing: Chris Kennedy.
Ronald Cornelissen (Beverwijk, 1960) studied at AKV/St. Joost in Breda from 1983 to 1988, specialising in painting and monumental design. He has exhibited in The Netherlands, the US, Greece and France. A solo exhibition of his sculptures was shown at Museum Boymans Van Beuningen in 2010, under the title The Horseman's Kitchenette, (When Demons Cook). He had a duo exhibition entitled Ground/ground with Paul van der Eerden at Drawing Center Diepenheim in 2015. Ronald Cornelissen is represented by Galerie Bernard Jordan in Paris and Zurich.

When did you start drawing?
I used to draw a lot as a child, but I was never told you could make a career out of it. That realisation came when I went to art school in 1983, where I focused on painting and sculpture. My teachers there liked thick layers of paint. They also preferred paintings to be abstract. When I moved to Rotterdam three months after graduation, I began to realize more and more that this way of painting was not for me. I like to tell stories, for me it’s about iconography. My interest in art started between my sixteenth and twentieth, not fed by museum visits, but by music, comics and things from American underground literature. In art school, however, narrative was considered suspicious. If they told you your work was anecdotal, they meant you had a serious problem.

Ronald Cornelissen, 1-4 June, ink, pencil etc, 88,5 x 138 cm, 2017
How do you know when a drawing is worth keeping?
The obvious answer is it has to be finished. The question is, though, when is a drawing finished? I keep pretty much everything I put down on paper, even when I feel a drawing doesn’t feel right. I keep all my drawings, bad or good. After a while, a year maybe, I’ll come across them again. Over the years I´ve learned you can turn a bad drawing into a good one. It´s something I like doing. When a drawing is no longer quite so fresh, I’m less nervous about screwing it up, as I´m less aware of all the time it took to get it to where it’s at. Also I usually work on a lot of drawings at once, that way it´s easier to let go of the idea that a particular drawing has to be ´good´. And I never make preliminary studies. That way everything is wide open when I start working, which is nice because in that phase drawing comes easy, you can’t go wrong really. As I progress it gets more and more difficult to manoeuvre, until I get stuck. And that is the stage a drawing must be at in order for to finish it and turn it into something I consider good. Now you have to come up with the right move. At this point I might make what you would call a study, a small version of what I have so I can try things out, often something quite arbitrary or perverse. You could say that’s rather adolescent of me, but I see something very vital in precisely such a seemingly mindless act at that point. It creates a tension between sophistication and crudity that I like a lot. It also tends to give a drawing something tragicomic and I like that.

Yusaka Hanakuma
How do you determine when a drawing is a good one?
In Japan they distinguish four types of manga artist: bad and good draftsman without character, and bad and good draftsman with character. The first two categories can be dismissed. The last category includes the true masters, obviously. The third category, though, should not be underestimated; it certainly has my warm interest. I love artists that still work in the so called ‘heta-uma’ style, such as Yusaku Hanakuma and Takashi Nemoto. In fine Art too I prefer work where the ugly or banal plays a meaningful role. I admire Franz West for that reason. Charles Bukowski once wrote: When the spirit wanes/ the form appears. That ties in with what I said about manga styles. One of the things that truly counts in a work is character. If that is missing, formality surfaces, the structural application of mere tricks. It’s important to avoid that, even though it can be difficult when you’ve been drawing as long as I have. Over time you get to know what works well; it’s tempting to fall back on that knowledge. If you do, though, predictability lies in wait. To avoid this I try to organise my work process so that I end up painting myself into a corner. In that way, an emergency jump becomes unavoidable. And that has to be exactly right, as I mentioned before. It’s precisely that leap that can open the way to unforeseen results.

donderdag 14 februari 2019

RONALD CORNELISSEN: IK VERKOOP NIKS


Ronald Cornelissen, 1-4 juni, inkt, potlood, ballpoint, waterverf, acryl op papier, 88,5 x 138 cm, 2017
Categorie: interview/Onderwerp: Ronald Cornelissen over zijn tekeningen/Auteur: Peter Nijenhuis/Datum gesprek: 1 februari 2019

Ronald Cornelissen (Beverwijk 1960) studeerde in 1988 af aan AKV/St.Joost in Breda met schilderkunst en monumentale vormgeving als specialisaties. Hij stelde tentoon in Nederland, de VS, Griekenland en Frankrijk. Een solopresentatie van zijn ruimtelijk werk onder de titel The Horseman’s Kitchenette, (When Demons Cook) werd in 2010 getoond in Boymans Van Beuningen. In 2015 had hij met Paul van der Eerden onder de titel Ground/Grond een dubbelpresentatie in Diepenheim. Ronald Cornelissen wordt vertegenwoordigd door Galerie Bernard Jordan in Parijs en Zürich.

Wanneer begon je met tekenen?
Ik heb als kind veel getekend, maar wist niet dat je daar je beroep van kon maken. Dat kwam pas toen ik in 1983 naar de kunstacademie ging. Daar richtte ik me overigens op ruimtelijk werk en schilderen. Mijn docenten hielden van dikke lagen verf. Het moest ook bij voorkeur abstract zijn. Toen ik drie maanden na mijn afstuderen naar Rotterdam verhuisde, begon ik te beseffen dat dat soort schilderkunst me eigenlijk niet lag. Ik ben een verteller. Het gaat me om de iconografie. Mijn belangstelling voor kunst werd tussen mijn zestiende en twintigste niet zozeer gevoed door museumbezoek, maar door muziek, strips en andere dingen uit vooral de Amerikaanse underground. Op de kunstacademie was het verhalende, narratieve, verdacht. Als ze zeiden dat je werk anekdotisch was, dan was dat niet best.

Ronald Cornelissen, 12-13 juni, inkt etc. op papier,140 x 251 cm, 2018
Waaraan moet een tekening voldoen, wil je hem bewaren?
Dat ligt voor de hand: hij moet klaar zijn. Maar hoe sluit je een tekening goed af? Ik bewaar bijna alles wat ik teken, ook de tekeningen die niet goed zijn. Ik stop ze in een ladekast en na verloop van tijd, soms een jaar en soms wel eens langer, kom je ze weer tegen. Ik heb geleerd dat je van een tekening die niet goed is, een goede tekening kunt maken. Dat is zelfs wel leuk. Na een half jaar of een jaar doet het er niet meer zo toe of je zo'n tekening verpest of niet. Als een tekening 'vers' is, is het allemaal veel lastiger. Je bent je bewust van de tijd die je erin hebt gestoken om de tekening te krijgen zoals 'ie is. Ik werk overigens aan veel tekeningen tegelijk, ook omdat het daarmee makkelijker wordt om wat afstand te nemen van het idee dat iets per se moet lukken. Ik maak met opzet geen studies vooraf. Ik heb graag dat alles open ligt als ik begin met werken. In het begin kan daardoor veel, zo niet alles. Tekenen is dan makkelijk, maar gaandeweg wordt de weg smaller en loop ik vast. Je moet naar het punt werken waar je geen kant meer op kunt. Op dat punt heb je nog maar één keus. Je moet een ingreep doen: erop of eronder. Ik wil in zo'n situatie nog wel eens iets maken wat je een studie zou kunnen noemen. Ik probeer dan bepaalde dingen uit, ingrepen die vaak iets balorigs hebben. Je kunt dat zien als puberaal. Voor mij schuilt er juist iets heel vitaals in zo’n ogenschijnlijk stompzinnige ingreep. Het levert een spanning op tussen raffinement en lompheid en daar hou ik van. Het geeft een tekening bovendien iets tragikomisch en ook dat staat me aan.

Takashi Nemoto
Hoe zie je of een tekening een goede tekening is?
In Japan onderscheiden ze vier soorten mangatekenaars: slechte en goede tekenaars zonder karakter en slechte en goede tekenaars mèt karakter. De eerste twee categorieën kun je vergeten. De laatste categorie omvat de ware meesters, dat spreekt voor zich. De derde categorie moet je echter niet onderschatten. Die heeft ook zeker mijn warme belangstelling. Ik hou van de tekenaars die de zogenaamde ‘heta-uma’ stijl hanteren zoals Yusaku Hanakuma en Takashi Nemoto. Ook in de beeldende kunst hou ik van werk waarin het lelijke of banale een betekenisvolle rol speelt. Franz West is iemand die ik om die reden bewonder. Charles Bukowski schreef ooit: When the spirit wanes/ The form appears. Dat sluit aan bij wat ik zei over mangastijlen. Een van de dingen die echt tellen, is karakter, bezieling. Als dat ontbreekt, wordt je werk formaliteit, een kwestie van structureel toegepaste foefjes. Het is zaak om dat te vermijden, ook al is dat lastig als je al zo lang tekent als ik. Hoe meer je tekent, hoe meer je kijk krijgt op wat werkt. Dat is verleidelijk. Geef je daar aan toe, dan ligt voorspelbaarheid op de loer. Om voorspelbaarheid uit de weg te gaan, richt ik mijn werkproces op een bepaalde manier in. Ik teken mezelf als het ware ‘in de hoek’ zodat de noodsprong, de ingreep waar ik het net over had, onvermijdelijk wordt. Want juist die sprong opent de weg naar een uitkomst die ik vooraf niet kan bedenken.

maandag 29 oktober 2018

JEROEN JONGELEEN: #BEELDENPARK_PRESIKHAAF


Jeroen Jongeleen, Perspectiefcorrectie, 2015
Categorie: interview / Onderwerp: Jeroen Jongeleen over zijn werk, het project #beeldenpark_presikhaaf en Motel Spatie in Arnhem / redactie: Peter Nijenhuis /oktober 2018

#beeldenpark_presikhaaf is een meerjarig project van kunstruimte en residency Motel Spatie. Het project houdt zich bezig met de positie van de kunst in de hedendaagse publieke ruimte en spitst zich voor een deel toe op de in de jaren zestig gebouwde Arnhemse nieuwbouwwijk Presikhaaf. Op 16 november start onder de naam #beeldenpark_presikhaaf een programma dat terugkijkt op de activiteiten van het afgelopen jaar en de afronding is van een nieuwe reeks interventies en acties van een internationaal gezelschap kunstenaars. Aan dat laatste leveren naast vele anderen de kunstenaars Philippe van Wolputte (Antwerpen), wildsnoeier Olivier Scheffer (Rotterdam), Jeroen Erosie (Eindhoven), Akim (Berlijn) en Adams (Stockholm/Berlijn) een bijdrage.
 Een van de initiatiefnemers van #beeldenpark_presikhaaf is de Rotterdammer Jeroen Jongeleen die al voor hij in 1994 afstudeerde aan de AKI in Enschede als kunstenaar de stad en de straat als zijn werk- en expositie terrein verkoos.

Als je, zoals jij, al zo lang bezig bent met de stad en de straat, dan moet je daarvan houden lijkt me. Je moet om te beginnen een wandelaar zijn, want autorijders kijken alleen naar de weg, en je moet er in je jeugd ook een smaak voor hebben ontwikkeld. Is dat zo?
Jeroen Jongeleen, Gold 2008

Er van houden zou ik niet zeggen. Het is eerder onontkoombaar en als zodanig heb ik er mee leren omgaan. Kunst is daarbij mijn weapon of choice, om het in goed Hollands te zeggen. Ik ben geboren in 1967. Mijn eerste bewuste stappen maakte ik zo'n beetje in het midden van de jaren zeventig. Ik groeide op in Paramaribo. Toen ik met mijn ouders terug ging naar Nederland, kwam ik terecht in een Apeldoornse nieuwbouwwijk, met van die geschakelde doolhofstraatjes. Een plek zonder eigen karakter: drie standaard soorten bomen, vier soorten struiken en een kunstwerk van cortenstaal op het talud langs de toegangsweg. Na Paramaribo, en de omgeving van die stad met zijn rijke natuur, was dat nogal een verandering, een cultuurschok die me is bijgebleven. In Nederland zag ik hoe de stad om ons leven heen wordt bedacht, ontworpen en verbeterd voor een optimaal effect. De stad en zeker mijn huidige thuishaven Rotterdam is desondanks veelzijdig en complex. Ik heb de stad leren haten en liefhebben tegelijkertijd, met de kunst als referentiepunt. Of het nu om graffiti ging of grote objecten, reclamebillboards of nieuwe architectuur. Er is niets zo mooi, niets is zo'n openbaring, als je zwervend door een stad verplaatsen. Dat deed ik vroeger, maar nu niet minder. Te voet, hardlopend, met de fiets, auto en meer. Elke manier van verplaatsing biedt weer een nieuw gezichtspunt.

Jeroen Jongeleen, Ghost 2010
In de jaren negentig beheerde je in Rotterdam een gastatelier van het Wilde Weten en een begon je stickers te plakken in de stad. Waar kwam dat uit voort?
Toen ik in de jaren negentig in Rotterdam ging wonen, raakte ik betrokken bij kunstenaarsprojecten en initiatieven. Ik maakte kennis met mensen, werd deel van een netwerk en samen sta je sterk. Ik zwierf alleen of met anderen overdag en 's nachts door de stad, een soort Klein Duimpje in een vreemd bos waar ik mijn stickers achterliet. Voor mij was dat een poëtische daad van verzet, hoe klein ook. Op marginale plekken waar de commercie geen interesse in toonde, zag ik een nieuw podium voor vrije geluiden. Ik verspreidde stickers met teksten of eenvoudige grafische tekens die in zwartwit een geuzenstem lieten horen in een stad die zich juist in die tijd sterk commercieel ontwikkelde. De openbare ruimte, die voorheen werd beheerd door de overheid, werd door die overheid in de jaren negentig in rap tempo weggegeven voor commerciële exploitatie. Dat de oude VVV-toeristeninformatie in die tijd werd omgedoopt tot Citymarketing was een veeg teken. Ik vroeg me af of de kunst in dat sterk veranderende stedelijke landschap een rol kon spelen; een andere rol dan die van de geijkte 'stadverfraaiing'. De kieren en de nog niet door de commercie ingenomen tussenruimten van de geprivatiseerde stad, dàt was voor mij het betere podium voor de kunst. Stickers waren voor mij het gereedschap om ook anderen op de mogelijkheden van dat podium te attenderen. Dat bleef niet zonder effect in mijn ogen. Vanaf pakweg 1990 greep het stickeren in Rotterdam om zich heen, Het dynamiseerde het straatbeeld en rond 2000 was het hek van de dam. In 2002 heb ik in De Appel in Amsterdam nog een groot collectief stickerproject georganiseerd om ook die stad open te breken als stickerlandschap.

MARC VAN ELBURG IN MOTEL SPATIE: 'PARASITEUR'

Categorie: interview/ Onderwerp: Marc van Elburg over de Zinedepo in Motel Spatie in Arnhem / redactie: Peter Nijenhuis/oktober 2018

Marc van Elburg (1968 Ommen) opende in 2016 'de Zinedepo' in Motel Spatie. Motel Spatie is een Arnhemse kunstruimte en internationale residency in de wijk Presikhaaf. De Zinedepo is een collectie zines - een woord dat is ontstaan uit de samentrekking van 'magazine' en 'fanzine' en een speciale categorie tijdschriften aanduidt - maar daarover later meer.
 De kunstenaarsruimte/residency Motel Spatie is gevestigd in het winkelcentrum van de in de jaren zestig gebouwde wijk Presikhaaf. Het in 1965 gebouwde winkelcentrum Presikhaaf was in Nederland het eerste in zijn soort, een boegbeeld van de moderniteit. Die tijd is evenwel voorbij. Het winkelcentrum van de 15.000 inwoners tellende wijk is inmiddels al een paar keer gerenoveerd om het te redden van de verpaupering. Niettemin heeft het winkelcentrum in de levendige, maar niet helemaal onproblematische wijk, zijn kloeke, functionele schoonheid nog altijd niet verloren. Het doel van Motel Spatie is om het concept ‘Engaged Autonomy’ vorm te geven door kunstenaars uit te nodigen dit concept te koppelen aan een specifieke fysieke en/of sociale context en hen te ondersteunen bij de ontwikkeling van nieuw werk.

Jij hebt je eigen rol van beheerder van de Zinedepo in je eigen zines Parasite 1 en Parasite 2 vergeleken met die van een parasiet, maar dan niet in de geijkte zin van het woord. Jij ziet de rol van de parasiet liever zoals evolutionair biologen hem opvatten. Kun je dat toelichten?
Toen ik een jaar of drie geleden in Arnhem kwam wonen, viel ik midden in de aanloop naar de Sonsbeektentoonstelling 2016, de editie waarbij het Indonesische collectief Ruangrupa optrad als curator. Ik vond vooral interessant wat Reinaart Vanhoe en Ruangrupa deden met het toen zojuist geopende Ruruhuis. Het ging daar onder andere over vormen van zelforganisatie. Bij Motel Spatie zaten ze rond die tijd in een soort overgangsfase. Er speelden veel onderwerpen die ook bij het Ruruhuis speelden. Motel Spatie was zich aan het heroriënteren en vroeg of ik daar iets aan kon bijdragen. Ik stelde voor om in Spatie mijn zinebibliotheek te openen, onder andere omdat de zinecultuur zo’n goed voorbeeld is van een zelforganiserend sociaal-cultureel netwerk. Het idee van de parasiet diende zich aan na een residency van Syafiatudina (Dina) uit Yokyakarta in Motel Spatie. Zij had een paper geschreven over het Indonesische begrip 'Numpang' dat zoiets betekent als ‘tijdelijk onderdak verlenen’, en over hoe dat kan overgaan in een vorm van parasiteren. Rond dezelfde tijd had ik een gesprek met Motel Spatie-directeur Claudia Schouten over de eventuele financiering van projecten van de Zinedepo. Ik heb toen naar voren gebracht dat ik liever parasiteerde op de fondsen van Spatie, dan dat ik zelf fondsen aanschreef. In de regel gaat dat gepaard met allerlei voorwaarden waar ik mij liever niet vooraf op vast laat leggen. Claudia wees mij op de overeenkomst tussen de wijze waarop Dina het begrip Numpang gebruikte en ik me bediende van het begrip parasiet. Ik zag opeens mogelijkheden om via de metafoor van de parasiet het behoorlijk complexe geheel van vragen die op dat moment speelden te verenigen onder één enkel, overzichtelijk, en makkelijk te begrijpen concept.
 Het negatieve stereotype van de sociaal-economische parasiet, dat ook wel eens op kunstenaars word geplakt, komt in een ander licht te staan wanneer je je realiseert dat dit een typisch, negentiende-eeuws beeld is. In de negentiende-eeuwse opvatting was de parasiet een gedegenereerde soort en dat is inmiddels achterhaald. Hedendaagse biologen zien parasieten als ecologische netwerk-ingenieurs, omdat ze allerlei complexe en ogenschijnlijk onlogische kruisverbindingen aangaan en daarmee een positief effect hebben op het ecosysteem als geheel.
 De metafoor van de parasiet is in mijn ogen ook van betekenis als het gaat om zaken als collectiviteit en autonomie. Hoe behoud je je autonomie zonder dat je je isoleert van de samenleving? Hoe parasiteer je zonder te versmelten met je host? Hier overlapt de metafoor van de parasiet het concept van ‘Engaged Autonomy’ van Motel Spatie. Engaged Autonomy gaat voor mij over de plek van Motel Spatie in de wijk Presikhaaf en over het gebruik maken van fysieke en bureaucratische tussengebieden in de stad. Die parasitaire strategie zie ik ook in het project #Beeldenpark_Presikhaaf van Jeroen Jongeleen over vergeten kunstwerken en kunst op vergeten plekken in Presikhaaf. In dat licht kun je mijn uitspraak zien over mijn parasitaire rol binnen Motel Spatie. Ik parasiteer als autonoom kunstenaar op de positie die ik er met de zinebibliotheek heb gekregen. Die positie van de zinebibliotheek zelf is ook parasitair, de Zinedepo betaalt geen huur en bevindt zich ergens tussen de ateliers en de projectruimte in. Ik heb me nergens toe verplicht, maar ontwikkel en injecteer ideeën en programma’s die mijn eigen belang en hopelijk tegelijk een belang van Motel Spatie dienen. Motel Spatie parasiteert op haar beurt op mijn positie door een appèl te doen op de Zinedepo en mijn werk als kunstenaar. Hierdoor raken we steeds verder verwikkeld zonder dat er sprake is van een doodvergaderde consensus.

zondag 1 juli 2018

ARNHEM-ZUID ALS TOERISTISCHE BESTEMMING

Arnhem-Zuid is géén toeristische bestemming.
Heeft dat te maken met het dédain van Arnhem-Noord of met de feiten?
Hoe interessant of oninteressant is Arnhem-Zuid? Ontdek het zelf.
Lees de inleiding [KLIK] en maak de fietstocht [KLIK] naar de eind jaren tachtig, begin jaren negentig gebouwde wijk Rijkerswoerd.

maandag 7 mei 2018

MARIUS LUT: EEN SCHILDERIJ KUN JE ZIEN ALS EEN WOORD, EEN SERIE SCHILDERIJEN ALS ZIN EN DE WIJZE WAAROP JE ZE IN EEN RUIMTE PLAATST ALS EEN VERHAAL


Categorie: interview/ Onderwerp: Mareius Lut over zijn werk / Auteur: Peter Nijenhuis/Datum gesprek: 4 mei 2018

Marius Lut (Den Haag 1976) meldde zich eind jaren negentig aan als student aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Binnen een jaar werd Lut van school gestuurd. In datzelfde jaar richtte hij met anderen het kunstenaarscollectief Billytown op. In 2008 en 2009 was Marius Lut residerend kunstenaar aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Vanaf zaterdag 5 mei is werk van Marius Lut te zien in de ruimte van Studio Omstand in Arnhem.

Je wordt wel eens betiteld als schilder. Die term dekt niet helemaal de lading volgens mij. Hoewel je je ogenschijnlijk concentreert op schilderkunst lijkt dat om visueel in te werken op wat er buiten ligt, maar daarover later. Laten we het eerst hebben over de schilderkunst. Je beperkt je tot zeer essentiële zaken van het schilderen: het doek, het raam, de verf en dergelijke. Waarom die beperking?
Nadat ik van de Koninklijke Academie was gestuurd heb ik bewust gekozen voor het schilderen. Ik ontwikkelde al doende een minimalistische vormtaal. Gezien de aard van die vormtaal was het logisch om mezelf een aantal regels op te leggen. Ik richtte me op de fundamentele gegevenheden van het schilderen, niet om me te beperken, maar om me in bepaalde zaken te kunnen verdiepen.

Toch lijkt je onderwerp als kunstenaar niet het schilderen op zich. Je gebruikt in je schilderijen allerlei onvolmaakte zwarte en witte vlakken en hoeken. Is het juist om die vlakken en hoeken te zien als een geabstraheerde en platte vertaling van ruimtelijke gegevens als de hoek, het horizontale en verticale oppervlak, en de licht- en schaduwpartijen die zich in concrete ruimtes voordoen?
Je zou het op die wijze kunnen zien. Laat ik vooropstellen dat mijn schilderijen geen rechtstreekse vertaling zijn van concrete architectonische zaken. Ik sta niet naar een luifeltje of een raampartij van een of ander gebouw te kijken om dat vervolgens te transponeren in het platte vlak. Je kunt beter stellen dat mijn schilderijen, vlak als ze zijn, niettemin ruimtelijkheid suggereren. Die suggestie ligt ook in de aard van de minimalistische vormtaal.

donderdag 22 maart 2018

CAMIEL VAN WINKEL: MIJ INTERESSEERT DE IRONIE VAN DE GESCHIEDENIS - HOE DINGEN TOTAAL ANDERS UITPAKKEN DAN BEDOELD


Categorie: interview/ Onderwerp: Camiel van Winkel over de verbondenheid van artistieke vrijheid en kunstcontext, de wording van de informatiemaatschappij en het belang van de conceptuele kunst en de geschiedenis / Auteur: Peter Nijenhuis/Datum gesprek: 15 maart 2018

Camiel van Winkel is kunsthistoricus, criticus, adviseur van de Rijksakademie en als docent verbonden aan Sint-Lukas in Brussel. In de loop van de jaren schreef hij een aantal boeken die in de kunstwereld het nodige stof deden opwaaien: Moderne leegte (1999), Het primaat van de zichtbaarheid (2005), De mythe van het kunstenaarschap (2007) en During the Exhibition the Gallery Will Be Closed (2012).

In boeken als Moderne leegte en het Het primaat van de zichtbaarheid schets je ontwikkelingen die de beeldende kunst van nu op een beslissende manier hebben beïnvloed. Een ervan is de volledige vrijheid die de kunstenaar kreeg in de twintigste eeuw om naar eigen inzicht werk te maken of desnoods van straat op te rapen. Die vrijheid heeft ook een keerzijde waaraan je het nodige belang hecht. Waarom?

De keerzijde van de vrijheid van de beeldend kunstenaar is dat deze vrijheid niet kan worden uitgeoefend buiten de institutionele context om. Dat wordt in het zogenaamde kunstdiscours nog wel eens vergeten. In mijn ogen is dat een vergissing. Artistieke vrijheid en de institutionele kunstcontext zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarom is het belangrijk om ze steeds in samenhang met elkaar te analyseren. Met de institutionele context van kunst bedoel ik het hele weefsel waarin de kunst is ingebed. Dat weefsel wordt gevormd door musea, galeries, presentatieplekken en kunsttijdschriften, de mensen die in die instellingen hun werk doen, de curatoren, critici en andere kunstbemiddelaars en niet in de laatste plaats de taal die wordt gebruikt om over kunst te spreken en te schrijven. Zonder de institutionele kunstcontext, de kunstwereld, is het niet meer mogelijk om een aanzienlijk deel van de kunst als zodanig te herkennen. Light Wire Circuit, de bijdrage van Carl Andre aan de Sonsbeektentoonstelling van 1971, zou geplaatst op een willekeurig grasveld in de stad over het hoofd worden gezien als een stel achtergelaten pvc-buizen en niet meer dan dat.
Een kunstenaar presenteert iets (een object, een proces, wat dan ook) aan een publiek en zegt daarbij, 'Dit is kunst'. Ook als de kunstenaar dit niet letterlijk zegt, wordt het wel geïmpliceerd door de presentatiecontext. Het publiek neemt hier kennis van en kan de stelling 'Dit is kunst' beamen of verwerpen. In wezen is dat een soort esthetische of artistieke toetsing die steeds opnieuw moet plaatsvinden. Thierry De Duve zette dat heel knap uiteen in zijn boek Kant after Duchamp.
Voor politiek gemotiveerde kunstenaars is de verstrengeling van kunst en context moeilijk te aanvaarden. Een terugkerend idee in de twintigste-eeuwse kunst is dat je de institutionele context kunt kortsluiten en de kunst direct kunt integreren in de alledaagse leefomgeving, waar zij dan een transformerend effect zou hebben. Kunstenaars gingen ervan uit dat het mogelijk was om de grens tussen kunst en leven op te heffen of te doen vervagen, waardoor kunst een groter publiek zou kunnen bereiken en iets reëels zou kunnen bewerkstelligen. Maar dat idee is een vorm van wensdenken. Het is een naïeve voorstelling van zaken die aan het begin van de jaren negentig opnieuw overal opdook en ook nu nog door bepaalde curatoren en kunstenaars wordt gekoesterd. Ze was bepalend voor internationale manifestaties als Sonsbeek ’93 en voor de herleving van de kunst in de openbare ruimte. Voor mij was dat eind jaren negentig de aanleiding voor het schrijven van mijn boek Moderne leegte, waarin ik de gedachte dat de beeldende kunst los te koppelen is van haar institutionele context probeerde te weerleggen.

De aard van de hedendaagse kunst is wat jou betreft eveneens bepaald door de rol die het management van informatie en communicatie begint te spelen in de jaren zestig van de vorige eeuw. Hoe heeft dat de beeldende kunst veranderd?
Er wordt door overheden en fondsen tegenwoordig nogal wat geëist van de beeldend kunstenaar. Hij of zij moet 'cultureel ondernemer' zijn – een soort manager van het eigen artistieke proces. Dat betekent dat de kunstenaar projectplannen en begrotingen moet kunnen opstellen, doelen op de lange termijn moet formuleren, en moet kunnen beschrijven hoe de verwerkelijking daarvan kan worden getoetst. Van de kunstenaar wordt met andere woorden naast een artistieke ook een administratieve competentie verwacht. Dat is historisch gezien iets nieuws. Het gaat om een fundamentele verandering in het kunstenaarschap. In mijn boek During the Exhibition the Gallery Will Be Closed verbind ik die met een omslag op maatschappelijk vlak die in de jaren zestig van de vorige eeuw plaatsvond: de zogeheten 'managerial revolution'. In economie, samenleving en bestuur kregen informatie en communicatie een allesbepalend belang. Dit waren de aanvangsjaren van de informatiemaatschappij, waar we nu middenin zitten. In de informatiemaatschappij kreeg de rol van de manager een nieuw en bepalend gewicht. De manager is degene die op methodische wijze informatie verzamelt, analyseert en op grond daarvan beslissingen neemt om zo economische en bestuurlijke processen te sturen. Ook in de kunstwereld kreeg het verzamelen en doorgeven van informatie voor het sturen en profileren van de eigen positie en het omgaan met de buitenwereld een steeds groter gewicht. Conceptuele kunstenaars als Stanley Brouwn, Douglas Huebler, Michael Asher en Lawrence Weiner beseften dat en speelden daar op in. Ik vermoed dat ze zich vooral lieten leiden door hun intuïtie en minder door theoretische overwegingen, maar daar kun je over twisten. De conceptkunstenaars waren zich als eersten bewust van het primaat van informatie en, wat dat aangaat, van de bemiddelende en conditionerende rol van de kunstinstituties. Conceptkunstenaars namen de rol aan van manager en informatiemakelaar. Ze bedienden zich van administratieve methodes en een administratieve esthetiek. Dat alles deden ze niet zonder de nodige ironie. Voor acties en ingrepen stelden ze vooraf protocollen op. De uitvoering en de resultaten ervan werden door middel van documenten en foto’s vastgelegd en in sommige gevallen tentoongesteld in bijvoorbeeld archiefkasten die door het publiek geraadpleegd konden worden.
Je kunt je afvragen wat de kritische lading was van deze mimesis van de administratieve ideologie. Ik heb de bestaande literatuur over het onderwerp bestudeerd. Zelfs de meest diepgravende theoretici, zoals Benjamin Buchloh en Charles Harrison, komen er niet echt uit of het conceptualisme een omarming was van de administratieve ideologie of juist een kritisch commentaar.
De conclusie in mijn boek luidt dat de conceptkunst kritisch was door niet niet kritisch te zijn; door een toetsing van het eindresultaat achterwege te laten. De conceptkunstenaar imiteerde de manager, maar de mimesis was niet helemaal volledig, en dat is in mijn ogen van groot belang. Een essentieel deel van wat managers doen is kwaliteitscontrole. Dat laatste lieten conceptuele kunstenaars achterwege. Elk resultaat was voor hen een goed resultaat. Ze stelden protocollen op en presenteerden die heel sec, samen met de uitkomsten ervan. Stanley Brouwn ging de straat op. Hij vroeg voorbijgangers de weg en liet ze een tekeningetje van de route maken. Die tekeningetjes voorzag hij van een stempel met de tekst 'This Way Brouwn'. Wat de kwaliteit van de tekeningen betreft maakte Brouwn geen enkel onderscheid. Iedere schets, ieder krabbeltje was even goed en geldig. Ook andere conceptualisten, zoals Weiner, namen alleen verantwoordelijkheid voor het protocol. Weiners Statements kon iedereen die dat wilde zelf uitvoeren. Er werd zo een harde grens getrokken tussen informatie en visualisatie. De uitkomst was steeds een kunstwerk dat deels door toeval of willekeur tot stand is gekomen. Toeval en willekeur kwamen op gelijke voet te staan met wat tot dan toe werd gezien als de grondslag van het kunstwerk: het unieke beeldende talent van de individuele kunstenaar.
Alles bij elkaar genomen voltrok zich door toedoen van de conceptkunst een radicale demystificatie van het kunstenaarschap. Hoe kun je de artistieke betekenis beoordelen van een kunstwerk dat tot stand komt op basis van een administratief protocol, en waarvan de uitkomst geen kwaliteitscontrole meer heeft ondergaan?
Curatoren, critici en andere bemiddelaars kwamen hierdoor voor aanzienlijke problemen te staan. De conceptkunst ondermijnde hun expertise en gezag en dat had belangrijke gevolgen.

Welke?
Deze demystificatie van de kunst was zo radicaal dat zij niet vol te houden was. Na korte tijd, rond midden jaren zeventig, verdween zij weer onder tafel. Sonsbeek buiten de perken, de Sonsbeek tentoonstelling van 1971, had voor conceptualisten en minimalisten de grote publieksdoorbraak moeten zijn. Het centrale thema van de tentoonstelling was min of meer op hun werk toegesneden: de door nieuwe technologieën mogelijk gemaakte informatie-uitwisseling en de gevolgen daarvan op de beleving van de ruimte. Dat was, in ieder geval voor Europa, iets nieuws en baanbrekends. Maar Sonsbeek ’71 werd een flop. Dat had twee oorzaken. De tentoonstelling speelde zich niet alleen af in park Sonsbeek. Op allerlei plekken in Nederland, van Groningen tot Maastricht, waren er een hele reeks nevenprojecten. Dat was een nogal ambitieuze opzet van de directeur en curator van Sonsbeek buiten de perken Wim Beeren. Het was fysiek gezien nogal een inspanning, om niet te zeggen onmogelijk, om langs al die projecten te reizen en ze te bezichtigen. Veel was moeilijk te vinden of niet als kunst te herkennen als je niet goed was ingelicht. Daar kwam nog een ander probleem bij. Hoe kon de kunst van minimalisten en conceptualisten worden gelegitimeerd en uitgelegd aan het publiek? Carl Andre, waar ik het net over had, nam in 1971 het vliegtuig naar Nederland, maar afgezien van zijn eigen bagage had hij niets bij zich. Andre had zichzelf de opdracht gesteld om in Arnhem iets te maken met materiaal dat hij ter plaatse zou verzamelen. Hij vond bij een bouwterrein een aantal pvc-buizen en nam die mee. Hij verbond ze met een draad en rangschikte ze op het gras van een van de plantsoenen in Sonsbeek. Zo kwam Light Wire Circuit tot stand. Leg als curator, criticus of als medewerker van de afdeling publiciteit van de kunstmanifestatie maar eens uit wat de betekenis of de artistieke waarde is van zo’n werk. Minimalisten en conceptualisten hadden de tot dan toe geldende criteria, zoals ik al zei, grondig onderuitgehaald. De artistieke waarde van hun werk was een open kwestie, iets waarvoor nieuwe argumenten moesten worden geformuleerd. Het werk van deze kunstenaars creëerde een leegte die niet zomaar gevuld kon worden. Mijn indruk is dat dit de artistieke leiding van Sonsbeek buiten de perken, met name Wim Beeren, maar ook Frans Haks, Judith Cahen en Cor Blok, een enorme kater bezorgde. Dat blijkt ook uit een interview dat ik in 2001 met enkele van de betrokkenen had.
De kater van Sonsbeek buiten de perken had in mijn ogen overigens interessante gevolgen. De betrokken kunsthistorici en curatoren kwamen in de jaren zeventig en tachtig terecht op sleutelposities in de Nederlandse kunstwereld. Wim Beeren en Frans Haks werden in die periode de belangrijkste promotors van het neo-expressionisme, de nieuwe 'wilde' schilderkunst. Het kunstwerk en de kunstenaar werden opnieuw op het romantische voetstuk geplaats waar ze in de jaren zestig van af waren gehaald. Op de demystificatie van de kunst door conceptuelen en minimalisten volgde een decennium van remystificatie. Dit wijst op een vorm van ideologische overcompensatie, zou je achteraf kunnen zeggen.