vrijdag 18 april 2014


DWWA redactie Peter Nijenhuis.
pheenijenhuis@gmail.com
foto: Hans Wijninga (Stookhuisje Alphons ter Avest)

HO! MULDER: MAKEN VERKOPEN





Categorie: interview
Onderwerp: Ratna Ho en Pascal Mulder over hun winkel en werkplaats HO! MULDER
Datum gesprek: 16 april 2014

Ratna Ho behaalde na haar studie modevormgeving aan ArtEz in Arnhem een masterdiploma aan de modeafdeling van Central Saint Martins in Londen. Pascal Mulder studeerde in Arnhem af aan de afdeling Product Design. Ratna Ho en Pascal Mulder werken samen en ontwerpen en produceren sinds 2009 kleding, mode-accessoires en producten. Begin 2014 ondernamen ze iets nieuws. Ze openden onder de naam HO! MULDER een winkel met kleding en ontwerpproducten in Arnhem.

Is het verstandig om in een provinciestad een winkel te openen met in kleine oplages geproduceerde objecten, kledingstukken en modestoffen van tamelijk onbekende ontwerpers?
Ratna Ho en Pascal Mulder: Dat moeten we nog zien. Dit pand werd ons een tijd geleden aangeboden door Stichting Slak, die woon- en werkruimtes beheert voor kunstenaars en culturele organisaties. Na enig wikken en wegen kwamen we tot de conclusie dat we hier wel een winkel wilden beginnen, maar dat we dat met z’n tweeën financieel niet konden opbrengen. Daar hebben we natuurlijk met andere mensen over gesproken en op een gegeven moment wilde Buitink Technology, een bedrijf dat eerder het materiaal voor onze modecollecties sponsorde, als partner meedoen in het winkelproject.

JOOST VAN DEN TOORN: GEEN KIND VAN DE VERLICHTING?


Categorie: beschouwing
Onderwerp: het werk van beeldend kunstenaar Joost van den Toorn
Auteur: Peter Nijenhuis
Artikel lezen met afbeeldingen in apart scherm: typ in een nieuw scherm http://gkvdv.blogspot.nl/ 

Is het werk van de beeldend kunstenaar Joost van den Toorn (Amsterdam 1954) te betitelen als een voorbeeld van het zogenaamde postmodernisme? Op grond van de beelden die Joost van den Toorn maakte in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw is daar wel iets voor te zeggen. De kunstenaar zelf zal, naar ik vermoed, met de betiteling ‘postmodern’ echter niet in zijn schik zijn. Toen ik hem jaren geleden sprak en in verband met zijn werk de term postmodernisme liet vallen, reageerde hij nogal ongelukkig. Van den Toorn heeft meer dan eens aangevoerd dat hij, wars van allerlei vormen van kunsttheorie, als kunstenaar zijn eigen gang gaat. Die houding is begrijpelijk. Geen enkele kunstenaar is geneigd om zijn werk te beschouwen als de uitwerking van andermans ideeën. Bovendien wordt er over het postmodernisme tot op de dag van vandaag zeer afwijzend geoordeeld. Dat afwijzende oordeel wordt overigens ook weer niet door iedereen gedeeld. De meningen lopen uiteen en dat alles bij elkaar opgeteld, dwingt ertoe om, alvorens in te gaan op het werk van Van den Toorn, eerst te bepalen wat er onder postmodernisme verstaan kan worden. Dat laatste lijkt echter onmogelijk zonder het af te zetten tegen wat eraan voorafgaat, en laat ik met de aanduiding daarvan dan maar beginnen.

I

Over het moderne denken en de moderniteit lijkt men het in grote lijnen wel eens. De ‘modernen’ onderscheiden zich sinds de zeventiende eeuw door de geopenbaarde godsdienst en de klassieke teksten niet langer te beschouwen als het antwoord op alle vragen. Nieuwe kennis is noodzakelijk omdat het heden nieuwe problemen, mogelijkheden en vragen oproept. Het moderne denken ontwikkelt een radicaal ander idee van de tijd. Het richt zich niet meer op een geïdealiseerd verleden, maar op het heden en de toekomst. Tijd wordt geschiedenis: een proces van rationalisering, ontwikkeling en vooruitgang. Wat duister is zal vroeger of later begrepen en beheerst kunnen worden. Een betere wereld ligt dus in het verschiet. Een onlosmakelijk deel van het moderne denken is de belangstelling voor het menselijke vermogen om de werkelijkheid door middel van de zintuigen en het verstand te doorgronden of er met behulp van het artistieke genie een licht op te werpen. Voor het onderzoek naar de grenzen van dat vermogen legt Immanuel Kant tegen het einde van de achttiende eeuw de grondslagen.[1]
 Een samenhangende filosofie met afgebakende grenzen is het moderne denken niet. Het is een mentale oriëntatie. Er zijn ook zeker meerdere varianten aan te wijzen. Een dominante rol speelt het moderne denken in West-Europa en Amerika zeker na de Tweede Wereldoorlog. Overheden en maatschappelijke organisaties voelen zich voor de taak gesteld om de samenleving grondig te moderniseren. Dat gebeurt zeer zichtbaar en drastisch op het terrein van de economie, de stedenbouw en de architectuur.[2]
 Het moderne denken drukt vóór en zeker na de Tweede Wereldoorlog ook zijn stempel op de beeldende kunst. De meest uitgesproken en samenhangende uitwerking daarvan is het werk van de Amerikaanse criticus Clement Greenberg die in 1939 en 1940 zijn eerste belangrijke beschouwingen publiceert. Beeldende kunst is in de ogen van Clement Greenberg in de eerste plaats schilderkunst. Wat hij van die schilderkunst van belang acht is wat door schilders als Cézanne, Matisse, Braque, Picasso en Mondriaan voor de Tweede Wereldoorlog in Parijs wordt gemaakt en vervolgens na 1940 in Amerika door schilders als Newman, Still, Rothko en Pollock wordt ontwikkeld tot het Abstract Expressionisme. Greenberg legt in zijn eerste beschouwingen uit dat de artistieke kwaliteit van de schilderkunst lange tijd wordt bedreigd door een verschijnsel dat eigen is aan de negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse industriële en verstedelijkte samenleving: de massacultuur en de kitsch. Van de kitsch onderscheidt zich vanaf de negentiende eeuw een avant-garde van schilders. Wat hun werk modern maakt, is het feit dat ze zich niet langer bezighouden met het uitbeelden van de werkelijkheid. De avant-garde richt zich op het onderzoek van de eigen artistieke discipline en de vraag wat die discipline onderscheidt van andere artistieke disciplines. De schilderkunstige avant-garde, aldus Greenberg, geeft zich in dat kader over aan de weerstand van het medium, te beginnen met de weerstand van het platte vlak tegen de uitbeelding van ruimte. Het gevolg van deze overgave is een sterke beperking van de middelen. Tonaliteit wordt ingeruild voor het gebruik van primaire kleuren en dieptesuggesties maken plaats voor het benadrukken van vlakheid.

maandag 28 oktober 2013

REGISTER



A
B
C
D

BAS VAN DEN HURK: STOMTOEVALLIG EN ONONTKOOMBAAR

Categorie: interview
Onderwerp: beeldend kunstenaar Bas van den Hurk over zijn werk
Datum gesprek: 17 oktober 2013

Beeldend kunstenaar Bas van den Hurk (Tilburg, 1965) studeerde aan de afdeling Monumentale Vormgeving en Schilderkunst van Academie St.Joost in Breda en filosofie aan de Universiteit van Amsterdam waar hij in 1996 zijn doctoraalexamen behaalde. Bas van den Hurk is behalve kunstenaar, docent theorie aan MFA AKV/ST.Joost en mede-oprichter en organisator van Whatspace, een platform voor de productie en presentatie van kunst met een steeds wisselende basis in Nederland en daarbuiten.

Je werk oogt complex. Je hebt wel eens gezegd dat je in je atelier intuïtief te werk gaat, maar schuilt achter dat intuïtieve handelen ook niet een idee over hoe je werk eruit moet zien?
Wat ik met het woord intuïtie bedoel, is zeker niet dat ik min of meer blanco of in een roes aan het werk ben. Ik ben al lang werkzaam als kunstenaar, ik heb veel gezien, ik denk na over mijn werk en dat van anderen en ik heb in de loop van de tijd ook aardig wat gelezen. Die achtergrond kun je terwijl je werkt niet vergeten of uitschakelen. Ik heb me met de uitspraak dat ik intuïtief te werk ga ook willen afzetten tegen een kunstopvatting die kunst voorstelt als een vorm van kennisproductie. Voor mij is kunst dat nu juist niet. Kunst is een manier om je uit te drukken in de taal en de materialen van de kunst. Intuïtief werken wil voor mij zeggen dat je tast en zoekt naar wat zich via het materiële uitdrukt. Kennis komt daarbij van pas, maar wat zich via het materiële uitdrukt is niet zomaar te vatten. Wat de heterogene materialiteit van een werk oproept valt – in ieder geval ten dele – buiten het begrijpelijke en het zegbare.

dinsdag 20 augustus 2013

KLAAS KLOOSTERBOER: IK BEN NIET DE BAAS

Categorie: interview
Onderwerp: beeldend kunstenaar Klaas Kloosterboer over zijn werk
Datum gesprek: 14 augustus 2013

Beeldend kunstenaar Klaas Kloosterboer (Schermer 1959) koos na de middelbare school aanvankelijk voor een opleiding tot tekenleraar, maar doorliep uiteindelijk van 1979 tot 1983 de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Werk van Klaas Kloosterboer maakt samen met dat van Jim Shaw en Chris Martin deel uit van de tentoonstelling XXXL Painting die tot en met 29 september 2013 is te zien in de Onderzeebootloods in Rotterdam. In september 2013 openen maar liefst drie andere tentoonstellingen van Kloosterboers werk: een dubbeltentoonstelling in Galerie Van Gelder en Ellen de Bruijne Projects in Amsterdam en Galerie Sassa Trülzsch in Berlijn.

Je werk is niet eenvoudig te duiden. Nu heb ik altijd de hoop dat je een kunstenaar kunt vragen om zijn werk uit te leggen. Maar is dat werk voor jou als maker wel een open boek, of eerder een onderneming waarvan de uitkomst en de betekenis vooralsnog niet vaststaan en waarnaar ook jij hoogstens kunt gissen?
Onlangs is de fotograaf en beeldend kunstenaar Allan Sekula overleden. Die zei ooit: ‘fotograferen is denken’. Ik denk dat hij bedoelde dat fotograferen niet een kwestie is van simpelweg op een knopje drukken. Je moest er bij nadenken. Sekula’s uitspraak veronderstelt dat denken en handelen samen kunnen gaan. Zoiets zou ik wel willen bereiken, maar wat mij betreft gaapt tussen denken en doen een paradoxale kloof. Denken is niet zelden twijfelen over handelen en ook vaak het uitstellen van handelen. Aan de andere kant: denken is nodig. Je kunt niet steeds blindelings handelen. Je moet er over nadenken, maar dat zit het handelen dan weer in de weg. Dat ik weet wat ik doe en doe wat ik weet, kan ik niet zeggen. Dat is ook niet wenselijk, denk ik. Ik werk als kunstenaar in mijn atelier om iets onverwachts mee te maken en om iets uit te vinden wat ik daarvoor nog niet wist of inzag. Als het resultaat van mijn werk overeen zou komen met wat ik wist of inzag of had bedacht vóór ik er aan begon, zou ik het niet beschouwen als werk.

woensdag 22 mei 2013

MARTIJN SCHUPPERS: VOORUITGANG IN DE KUNST

Categorie: interview
Onderwerp: beeldend kunstenaar Martijn Schuppers over zijn werk
Datum gesprek: 17 april 2013

Martijn Schuppers (Almelo 1967) studeerde eind jaren tachtig en begin jaren negentig aan de Groningse Academie Minerva en vervolgde zijn studie, eind jaren negentig, met een masteropleiding aan het Frank Mohr Instituut. Hij wordt in Nederland vertegenwoordigd door de Amsterdamse galerie VOUSETES ICI, woont en werkt in Groningen en geeft les op de kunstacademie waar hij zelf werd gevormd.

Heb je ooit overwogen om op te houden met schilderen?
Meer dan eens, maar op een of andere manier ben ik niet in staat geweest om aan het schilderen te ontkomen. Ik heb er ook wel aanleg voor. Als kind tekende ik al veel. Tekenen en schilderen naar waarneming gingen me op de kunstacademie gemakkelijk af. Dat had zo zijn gevolgen. Eind jaren tachtig was de kunstacademie nog verdeeld in kampen. Je had de figuratieven, zoals Matthijs Röling, die wilden aanknopen bij de traditie van de figuratieve schilderkunst, en het kamp van de afgeleide waarneming, de abstracten. Die kampen gingen niet altijd vriendelijk met elkaar om. Omdat ik behoorlijk kon tekenen en schilderen naar waarneming werd ik automatisch tot het eerste kamp gerekend. Ik werd beschouwd als een belofte voor de figuratie.

DE BEMIDDELENDE ONTWERPER

Er bestaan in Nederland grofweg twee soorten ontwerpers. De eerste soort wordt gevormd op een kunstacademie waar ook onderwijs wordt gegeven in disciplines als grafische vormgeving, vrije kunst en mode. De intellectuele horizon op een kunstacademie is de kunst- en ontwerpgeschiedenis. Tot voor kort begonnen aan kunstacademies opgeleide ontwerpers na hun studie veelal een eigen praktijk en ontwierpen ze vormgevingsproducten voor een betrekkelijk klein publiek van kenners en liefhebbers. De andere soort ontwerper wordt gevormd op wat vroeger de hts heette, de hogere technische school, en wat tegenwoordig de faculteit techniek van een hogere beroepsopleiding is. Verwante opleidingen zijn daar werktuigbouwkunde, technische bedrijfskunde, embedded systems engineering en elektrotechniek. De horizon wordt hier vooral bepaald door de ontwikkelingen in de techniek en de praktijk van het bedrijfsleven, zo lijkt het. Maar wat weten we werkelijk van ontwerpers zoals ze aan technische faculteiten worden opgeleid? Over hun werk is in krantenbijlagen en modetijdschriften niet zoveel te lezen. Hieronder volgen interviews met studenten en met de onderwijscoördinator van de opleiding Industrieel Product Ontwerpen van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, met een aan die opleiding afgestudeerde ontwerpster, Lilian van Daal, en met de lector Duurzame Energie, Piet Sonneveld.

donderdag 24 januari 2013

ALFRED EIKELENBOOM: UTOPISCHE MODELLEN

Categorie: interview
Onderwerp: Alfred Eikelenboom over zijn werk en ontwikkeling als kunstenaar
Datum gesprek: 17 januari 2013

Alfred Willem Eikelenboom (1936, Tegal, Indonesië) kwam voor de Tweede Wereldoorlog met zijn ouders naar Nederland en groeide op in Den Haag. De kunstenaar, die tegenwoordig in Dordrecht woont, ontwikkelde in de jaren zestig zijn Utopische Modellen, verkenningen op de grens tussen architectuur en sculptuur, die hij in de jaren zeventig en negentig tentoonstelde in het Haags Gemeentemuseum en Museum Boijmans Van Beuningen. Alfred Eikelenboom realiseerde in 1987 op het Amsterdamse IJplein De Muur, een project in de openbare ruimte waarvoor hij werd uitgenodigd door toedoen van onder andere Rem Koolhaas, die de omringende nieuwbouw ontwierp. Voor zijn werk ontving Eikelenboom in 2002 de oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst.

SUBCULTUUR: Dagschotel, Rave Train, Camping Comfort Zone, PopupKlup en 8Bahn



Waarom aandacht besteden aan de lokale feest- en muziekscene op een blog dat gewoonlijk is gewijd aan beeldende kunst en ontwerp? Het antwoord is, omdat het in de muziek- en feestscene hoe dan ook gaat om smaakontwikkeling en, in het verlengde daarvan, om symbolische zelfbepaling, groepsvorming en afbakening tegenover andere groepen en smaken. De lokale feest- en muziekscene is met andere woorden een cultureel verschijnsel, weliswaar onderscheiden van traditionele, gevestigde culturele orde, maar daarom niet minder de moeite waard.


Cees van Dijk: Dagschotel
Datum gesprek: 19 december 2012

Cees van Dijk (1991) behaalde zijn vwo-diploma aan het Arentheem College in Arnhem en bezocht daarna de Vrije Hoge School in Driebergen. Cees van Dijk woont in Utrecht en in Arnhem en overweegt om volgend jaar muziekmanagement aan de HKU te gaan studeren. Hij is met Janai Shiboleth de organisator van Dagschotel, een maandelijkse gebeurtenis in het Arnhemse popcentrum Willemeen.

Hoe noem je jezelf, dj of zoiets?
Nee, zeker geen dj. Iedereen noemt zich tegenwoordig dj. Ik draai, maar ik organiseer ook.

donderdag 8 november 2012

ROSEMIN HENDRIKS: IN HET TEKENEN NAAR AANLEIDING VAN MIJN EIGEN HOOFD, KOM IK ALLES TEGEN WAT IK ALS KUNSTENAAR NODIG HEB



Categorie: interview
Onderwerp: Rosemin Hendriks over de rol die vorm, psychologie, uitdrukking en visuele effecten spelen in haar zelfportretten
Datum gesprek: 13 september en 1 november 2012

Rosemin Hendriks (Velp 1968) studeerde van 1987 tot 1992 aan de afdeling Vrije Kunst van de Arnhemse kunstacademie en van 1992 tot 1994 aan De Ateliers in Amsterdam.

EXTRA: FIAC PARIJS, KIJKEN TOT JE NIETS MEER ZIET


Categorie: fotoverslag
Onderwerp: Foire Internationale d‘Art Contemporaine (FIAC) Parijs 18 tot en met 20 oktober 2012
Auteur: Marlies Levels

De Foire Internationale d‘Art Contemporaine (FIAC) in Parijs is een van de vele handelsbeurzen van hedendaagse en moderne kunst die de laatste decennia in Europa en Amerika worden gehouden. Dit jaar vond de beurs voor de 39ste keer plaats in de gerenoveerde en in 2004 opnieuw in gebruik genomen grote hal, le Grand Nef, van het Grand Palais.

FIAC haalt het niet bij Art Basel, zeker niet alleen in mijn ogen numeriek en kwalitatief de beste kunstbeurs, maar neemt met andere kunstbeurzen zoals Arco Madrid, Frieze in Londen of Artissima in Turijn, een goede tweede plaats in. FIAC trekt veel vooraanstaande internationale galeristen, maar heeft een onmiskenbaar Frans accent. Van de ongeveer 180 deelnemende galeries kwamen er dit jaar rond de 60 uit Frankrijk en voornamelijk uit Parijs. De populariteit en de kwaliteit van deze beurs is ten opzichte van Frieze de laatste twee jaar aanzienlijk gestegen.

maandag 16 juli 2012

INEKE HANS: DINGEN WAAR NIETS AAN TE VERBETEREN VALT

Categorie: interview
Onderwerp: over de betekenis van het verleden, ontwerpen en communiceren, nieuwe technieken en ontwerp in tijden van crisis
Datum gesprek: 22 juni 2012

Ineke Hans (Zelhem 1966) studeerde aan de afdeling 3D (nu Product Design) van de Arnhemse kunstacademie. Ze behaalde in 1995 haar master’s degree Furniture Design aan het Royal College of Art in Londen en werkte drie jaar voor Habitat. In 1998 begon ze studio Ineke Hans.

KUNST KUNST KANTOOR: KUNST OPNIEUW UITVINDEN ALS MEDIAGEBEURTENIS

Categorie: interview
Onderwerp: het overleven van de kunst in tijden van ingrijpende veranderingen
Datum gesprek: 5 juli 2012

Frank Blommestijn(Arnhem 1989) en Michiel van der Werf (Arnhem 1987), onder meer opererend als DJ Walnoot, opende op 4 juli het KUNST KUNST KANTOOR op de bovenste verdieping van de kunstacademie in Arnhem.

SASCHA VAN RIEL: OPEN REPETITIE OP DE VIERDE VERDIEPING VAN HET WHITNEY MUSEUM


Categorie: interview
Onderwerp: over werkelijkheid en illusie in het theater en haar samenwerking met de Amerikaanse regisseur en schrijver Richard Maxwell
Datum gesprek: 22 juni 2012

Sascha van Riel (Enschede 1969) studeerde aan de afdeling 3D (nu Product Design) van de Arnhemse kunstacademie, aan de Universität der Künste in Berlijn en aan de HKU. Ze werkte vervolgens als licht- en decorontwerper onder meer voor Het Zuidelijk Toneel, Toneelgroep Amsterdam en New York City Players.