donderdag 18 april 2019

'DAARMEE WORSTELT DE COMMISSIE.' WAT IS ER IN ARNHEM OVER VAN DE ARNHEMSE SCHOOL?


Afbeelding 1: Academie voor beeldende kunsten Arnhem 1960-1970, foto Cor de Boer, Gelders Archief ingang 1538, fotocoll. De Boer inv. nr. 409.


Categorie: beschouwing/Onderwerp: De beeldende milieuvormgeving in Arnhem in de jaren zeventig van de twintigste eeuw en de invloed van Berend Hendriks binnen de gemeentelijke  Commissie Beeldende Vormgeving Openbare Gebouwen en Terreinen/Auteur: Peter Nijenhuis


De Arnhemse School hield zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw bezig met de vormgeving van de publieke ruimte. Hoe invloedrijk waren de vormgevers van de Arnhemse School in hun thuisbasis en wat is er veertig jaar later in Arnhem over van hun werk?


Ontgrenzing

Er werd in Nederland in de jaren zeventig van de vorige eeuw onder druk van bevolkingsgroei en woningnood meer gebouwd dan ooit, maar niet tot ieders tevredenheid. Critici gaven af op de eenvormigheid en de onmenselijke schaal. Nieuwbouwwijken boden weinig beleving. Ze misten verscheidenheid, de combinatie van orde en rafeligheid, herkenbaarheid en meerduidigheid van historisch gegroeide stadskernen. Ook wat betreft hun gebruiksmogelijkheden schoten ze tekort. Men had er enerzijds te weinig ruimte om zich af te zonderen en geborgen te voelen. Anderzijds bood de nieuwbouw te weinig mogelijkheden voor spel, ontdekking, ontmoeting en identificatie met de eigen leefomgeving.

De kritiek kwam uit verschillende kampen. Ongetwijfeld het meest bekende daarvan was de kring rond het tijdschrift Forum.[1] Kritiek werd eveneens geleverd door de Arnhemse School. Anders dan de kringen rond Forum waren degenen die tot de Arnhemse School werden gerekend geen architecten of stedenbouwkundigen. Het waren kunstenaars die hadden gestudeerd of als docent verbonden waren aan de opleiding Monumentaal Nieuwe Stijl van de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem, in 1964 opgezet door de toen pas vijfentwintigjarige, maar als kunstenaar al succesvolle Peter Struycken.[2]

In de bouwwereld, waar architecten en stedenbouwers de toon aangaven, waren de Arnhemse monumentale kunstenaars of, beeldende milieuvormgevers zoals ze ook wel werden genoemd, betrekkelijke buitenstaanders. De voorgeschiedenis van de Arnhemse opleiding was de monumentale kunst oude stijl: de plastieken, muurschilderingen, glas-in-loodramen en wat dies meer zij, die voorheen openbare gebouwen, straten en pleinen sierden en vormgaven aan collectief gedragen waarden en ideeën. Was daar in de samenleving van na 1945, die zich op allerlei fronten en ingrijpender dan voorheen moderniseerde, nog plaats voor? Niet volgens Berend Hendriks, die in Arnhem door directeur Verburg aan initiatiefnemer Peter Struycken werd toegevoegd om vorm te geven aan het nieuwe studieprogramma. Van daadwerkelijk door iedereen, zonder distantie gedragen waarden en ideeën was naar zijn mening juist steeds minder sprake. Daarmee was de zin en de noodzaak van de monumentale kunst oude stijl verdwenen, maar een ander, nieuw en belangrijk werkterrein diende zich aan.[3]




 











 




 


 
Afbeelding 2 t/m 20: 2 Ad Dekkers, Hans Koetsier, Galerie houdster Riekje Swart, Bob Bonies en Peter Struycken 1968, foto Bram Wisman. Maria Austria Instituut. Bestandsnaam 030025000703..3 Berend Hendriks, interieur Koningskerk Watergraafsmeer 1956.4 Peter Struycken, Wetsmatige beweging 1963, Lak op paneel, Dordrechts Museum. 5 Ad Dekkers, tegelreliëf schoolplein MTS Gouda 1971.6 Bob Bonies, 65 014 8.10, 1965. Website Borzo Gaerie.7 Hans Koetsier, I want it, Ik wil het, zeefdruk 1974 1976. 8 Jan Schoonhoven, R 71-10, 1971, hout, karton, papier, verf (latex) Kröller Müller Museum.9 Forum 1960 1961 nr. 6 7, omslagontwerp Jurriaan Schofer. 10 Aldo van Eyck speelplaats Dijkstraat 1954. Artikel Marina van den Bergen ArchiNed. 11 Aldo van Eyck, speelplaats Buitenveldert (Van Eesterenmuseum Amsterdam). 12 Aldo van Eyck, Burgerweeshuis Amsterdam 1967.13 Aldo van Eyck, Burgerweeshuis Amsterdam 1967.14 Aldo van Eyck, Burgerweeshuis Amsterdam 1967. 15 Aldo van Eyck, speelplaats Nieuwmarkt Amsterdam. 16 Aldo van Eyck, klimpalen Vondelpark Amsterdam. 17 Herman Hertzberger, Repeated Living Cells, studie Forum 1959. Het Nieuwe Instituut. 18 Herman Hertzberger, Repeated Living Cells, studie Forum 1959. Bron Het Nieuwe Instituut. 19 Herman Hertzberger, schets voor het Centraal Beheergebouw 1968 Het Nieuwe Instituut. 20 Herman Herzberger, Centraal Beheer Apeldoorn Ontwerp 1972.

De verscheidenheid en de visuele rijkdom die in de historische stad in de loop van de tijd min of meer organisch was ontstaan, moest in de nieuwgebouwde omgeving kunstmatig worden aangelegd. Daar lag wat betreft Peter Struycken de taak van de monumentale kunstenaar nieuwe stijl, de beeldende milieuvormgever. Zijn of haar betekenis lag in het vermogen om in een gegeven situatie onverwachte mogelijkheden te herkennen die, eenmaal vormgegeven, een uitbreiding van de ervarings- en gebruiksmogelijkheden opleverden. Het kunstenaarschap in de oude zin van het woord, gericht op de individuele expressie, kwam daarbij niet van pas; het autonome of op zich staande kunstobject evenmin. De beeldende milieuvormgever zadelde de openbare ruimte niet op met individuele problematieken. Hij of zij bediende zich in de jaren zestig en zeventig veelal van een geometrische beeldtaal en onderzocht mogelijkheden om door middel van kleur, vorm en materiaal bij te dragen aan de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Die bijdrage kon op verschillende wijzen een vorm aannemen. De beeldende milieuvormgever schiep een omgeving waar ruimte was voor activiteit, ontmoeting en rust door het inrichten van fiets en wandelroutes, speelplaatsen, pleintjes, parkeerplaatsen en stedelijke restruimtes. Een mogelijkheid om bij te dragen aan de kwaliteit van de openbare ruimte zag Struycken niet minder in een associatieve benadering, zoals de trog en de ouderwetse lantaarnpaal die Wim T. Schippers ooit bedacht voor de Bijlmer. De beeldende milieuvormgever kon aan de kwaliteit van de openbare ruimte eveneens bijdragen door het verhogen van de visuele complexiteit. Volgens Struycken had het geen zin om woningen te ontwerpen om ze vervolgens telkens op dezelfde symmetrische wijze te rangschikken of als los zand over het terrein te strooien. De straat was in de nieuwbouw van de jaren zestig en zeventig een onaantrekkelijk en noodzakelijk euvel dat vastzat aan het bouwen van woningen. De beeldende milieuvormgever zou hier een bijdrage kunnen leveren door systematisch onderzoek te doen naar de mogelijkheden om met een minimum aan elementen een maximum aan rangschikkingsvormen te vinden.[4]