Interviews met Bob Eikelboom, Iede Reckman, Jonathan van
Doornum, Lola Bezemer, Marije Gertenbach en Juliaan Andeweg
Auteur: Peter Nijenhuis
Datum: oktober 2016
Inleiding
De installatie, de ruimtelijke opstelling van doorgaans
heterogene elementen, is een niet meer weg te denken onderdeel van de
hedendaagse kunst. Het genre heeft een geschiedenis die volgens sommigen in de
vorige eeuw begint bij Kurt Schwitters en vandaag de dag heeft vrijwel
iedere internationale galerie van betekenis een of meer kunstenaars in zijn
stal die zich ermee bezighouden. Lisson Gallery vertegenwoordigt Angela de la
Cruz, David Zwirner Carol Bove en Isa Genzken, Petzel Gallery treedt op voor Stephen
Prina en Georg Herold, Xavier Hufkens voor Sterling Ruby en Michel François en
Gladstone Gallery voor Dave Muller en Thomas Hirschhorn. Dat zijn slechts een
paar namen van een lijst die bij mijn weten nooit is samengesteld, maar die,
zou het er ooit van komen, eindeloos lang moet zijn.
In Nederland wordt het genre sinds de jaren tachtig
en negentig beoefend door Fortuyn/O'Brien, Frank Mandersloot, Leo
Vroegindeweij, Klaas Kloosterboer en Mark Manders, al is het misschien niet
terecht om die kunstenaars op één hoop te vegen. Een wat jongere generatie
kunstenaars houdt zich er eveneens meer bezig. Wat drijft hen daartoe, hoe
duiden ze hun werk en wat vinden ze van kwesties die hedendaagse installaties
lijken op te roepen?
Kwesties
De eerste kwestie is de vraag in hoeverre het concept in
de installatiekunst nog een rol speelt. Stelt de kunstenaar vooraf regels op,
zoals conceptualisten dat deden, en volgt hij of zij die tijdens de uitvoering
van zijn werk? Of ontwikkelt hij of zij het werk al doende, intuïtief en
is er plaats voor toeval?
De tweede kwestie is de vraag of de hedendaagse
installatie al of niet bewust terugwijst naar de jaren zestig en zeventig
van de vorige eeuw. Om te beginnen wordt de installatie als vorm in
verband gebracht met de rebellie van de kunstenaar tegen de autoriteit van de
conservator en de galeriehouder die in de genoemde jaren de kop opsteekt. De
hedendaagse installatie lijkt bovendien terug te wijzen naar kunstvormen die in
het genoemde tijdvak 1960-1975 tot wasdom kwamen, zoals minimalisme, de
conceptuele kunst, de proceskunst, arte povera en de performance. Gebeurt dat
bewust? Wordt er met opzet teruggewezen naar een tijd waarin geloof in
vooruitgang, gelijkheid en bevrijding en het verlangen naar het dichten van de kloof
tussen kunst en leven de boventoon voerden? Gebruiken de ondervraagde
kunstenaars met andere woorden de installatie en middelen als abstractie,
industriële materialen, doe-het-zelfproducten en stapelingen vanwege hun
utopische aura? Of vinden ze dat er van een dergelijk verband geen sprake is?
