Onderwerp: beeldend kunstenaar
Fransje Killaars over haar werk
Auteur: Peter Nijenhuis
Datum gesprek: 19 oktober 2015
Fransje
Killaars baarde in de jaren negentig opzien met haar ruimtelijke werken. Ze
exposeerde in Nederland, Groot-Brittannië, Duitsland, Amerika en elders. Haar
werk werd aangekocht door het Stedelijke Museum Amsterdam, het
Bonnefantenmuseum in Maastricht en andere Nederlandse Musea. In 2003 en 2005
richtte ze de Herenkamer van het Catshuis in en van 30 januari tot en met 1 mei 2016 is haar nieuwste werk te zien in GEM Den Haag.
Wat me interesseert en wat ik in mijn werk onderzoek, is,
zeer in het algemeen gezegd, de werking van licht en kleur in een ruimte. Die
belangstelling heeft een voorgeschiedenis. Mijn ouders waren kunstenaar. Mijn
vader was beeldhouwer. Mijn moeder schilderde en hield zich ook bezig met
textiel en weven. Iets maken, ergens mee klungelen of onderzoeken, was bij ons
thuis vrij normaal. Als kind was ik vaak bezig met kleur en tekende ik veel met
vetkrijt. Daar werd ik erg gelukkig van en werken met kleur maakt me nog steeds
gelukkig. Ik groeide op in Maastricht en in 1979 ben ik naar Amsterdam gegaan
om te studeren aan de Rijksakademie. Eind jaren zeventig was dat in artistiek
opzicht nog een conservatief bolwerk. De opstand en de koerswijziging waardoor
de Rijksakademie het instituut werd dat het nu is, moest nog komen. Maar in
mijn tijd op de Rijksakademie gebeurde er wel iets wat bepalend was voor mijn
verdere ontwikkeling. In 1984 kreeg Sol LeWitt een grote tentoonstelling in het
Stedelijk Museum Amsterdam. Mijn vriend Roy Villevoye en ik hadden het geluk
dat we via de conservator van het stedelijk Museum, Alexander van Grevenstein,
gevraagd werden om samen met LeWitts vaste assistenten de tekeningen van Sol Le
Witt uit te voeren. We werkten drie maanden van 's morgens vroeg tot 's avonds
laat aan het uitvoeren van de wandtekeningen. LeWitts team was zeer professioneel
en bedreven. Ze hadden, waarschijnlijk ook omdat ze het al zo vaak en overal
ter wereld hadden gedaan, een heel slim en simpel systeem ontwikkeld om de
concepttekeningen van LeWitt met behulp van draden, tape, potloden, krijt en
inkt, over te zetten op de wanden. Door te werken met LeWitt en zijn team kwam
ik op een zeer directe manier in aanraking met de wereld van het Minimalisme en
met mensen die zich zowel praktisch als analytisch hadden beziggehouden met
onderwerpen als de relatie tussen vlak en ruimte en beeldende kunst en
architectuur. Er ging een wereld voor me open. De ervaring met Sol LeWitt en
zijn team heeft in zekere zin ook bijgedragen aan mijn veel latere beslissing
om te stoppen met schilderen. Die beslissing nam ik niet omdat ik er genoeg van
had, maar omdat verder schilderen niet meer logisch was. Ik schilderde in die
tijd veel met fluorkleuren en dat mondde in 1992 uit in een werk dat de titel Bindi Land in Dutch light and Indian Colours
no.2 droeg. Ik had begin jaren negentig een aantal reizen naar India
gemaakt en ik was onder de indruk geraakt van het overweldigende, Indiase
kleurgebruik. Daar voelde ik verwantschap mee. In Bindi Land gebruikte ik van die felle kleuren. Het werk bestond uit
twee delen. Het ene deel stond, rustend op de vloer, als doek of schilderij
tegen de muur. Het andere deel, bestond uit hetzelfde staande doek of
schilderij, met, daarvoor, een op de grond gelegd doek dat even groot was.
Zonder dat ik daar diep over had nagedacht, was ik al schilderend uitgekomen
bij iets ruimtelijks. Dat zat hem niet alleen in het doek dat voor het andere
op de grond lag. Ik zag dat de felle kleuren die ik gebruikte nabeelden
veroorzaakten op de vloer, de muren en de ruimte om het werk heen. Met dat
laatste wilde ik verder. Het ging me om het verschijnsel dat een kleur of een
kleurcombinatie, samen met het door de vensters invallende, natuurlijke licht,
de waarneming van de ruimte verandert. De manier waarop dat gebeurt, is ook van
belang. De werking van natuurlijk licht en kleur is niet statisch. Omdat
natuurlijk licht nu eenmaal verandert en de toeschouwer zich door de ruimte
beweegt, is die werking juist dynamisch en eindeloos gevarieerd. Dat alles
constateer je niet in één keer en je trekt ook niet in één keer een conclusie. Je
denkt na over wat je zelf ziet en wat andere zeggen of vragen. Op een dag kwam
Benno Premsela langs en die vroeg, kijkend naar Bindi Land, of het logisch was dat het werk was uitgevoerd als
schilderij en niet als tapijt. Die vraag vond ik zeer interessant. In 1993 en
1994 maakte ik de zogenaamde hoekwerken:
tapijten die ik in India liet weven en die een deel van de vloer en de wand of
de wanden van een hoek besloegen. Ik had door mijn reizen in het noorden van
India acrylgarens ontdekt in felle kleuren. Die acrylgarens – die overigens
meer wol blijken te bevatten dan ik tot nu toe dacht - kun je verven met zeer
felle, chemische verven. Stoffen van acrylgarens hebben daardoor een andere
intensiteit dan katoen, zijde of pure wol. Het behoud van die intensiteit is
met acryl ook geen probleem en voor mijn werk is kleurintensiteit van
essentieel belang.
